Vakantiejobs uitsluitend voorbehouden aan kinderen van eigen personeel is discriminerend. Dat openlijk zeggen, is belangrijk.

16 juni 2017
Actiedomein: Werk
Discriminatiegrond: Andere gronden

Hieronder vind je de Nederlandse vertaling van het opiniestuk van Patrick Charlier, dat op 14 juni 2017 in La Libre verscheen. Je kan hier ook het originele (Franstalige) opiniestuk lezen. 

Elk jaar vlak voor de zomer kloppen bedrijven aan bij Unia met de vraag of ze vakantiejobs mogen voorbehouden aan uitsluitend familieleden van hun personeel. En ook nu weer wijzen we hen erop dat vakantiejobs uitsluitend reserveren voor familieleden van eigen werknemers discriminerend kan zijn.

Werkelijk niets anders te doen?

Meer was er niet nodig om een storm van protest te ontketenen, vooral op sociale media. Hebben wij niets beters te doen? Zouden wij de bedrijven daarover niet alleen moeten laten beslissen? Waarom zouden wij een systeem in twijfel trekken dat al heel lang bestaat? Een systeem dat de werknemers bovendien vaak zien als een sociale verworvenheid of toch minstens als een indirecte bezoldiging van hun werk?

Vragen die op zich steek houden en waarop we met een koel hoofd en de nodige argumenten reageren. Maar in ons land lijkt het steeds moeilijker om vraagtekens te zetten bij wijdverspreide praktijken die als ‘traditie’ worden bestempeld en toch perverse effecten kunnen hebben. En het gaat hier wel degelijk over een vorm van indirecte discriminatie, omdat onze arbeidsmarkt fundamenteel  gekenmerkt wordt door ongelijkheid en uitsluiting. En het mechanisme dat we in vraag stellen kan die ongelijkheid reproduceren. De Brusselse sociale partners, werkgevers- en werknemersorganisaties samen in de Economische en Sociale Raad, denken daar hetzelfde over. Verschillende bedrijven en overheidsadministraties die aan een diversiteitsplan begonnen, weten dat en beslisten daarom om de selectieprocedure van hun studentenjobs over een andere boeg te gooien.

Studentjob fundamentele rol

Uiteraard zeggen sommigen dat het ‘maar om studentenjobs’ gaat en dat er ‘dringender werk’ op de plank ligt om te kunnen strijden tegen discriminatie op de arbeidsmarkt. Unia vindt dat een redenering die afbreuk doet aan de fundamenten die een studentenjob kan leggen in iemands carrière. Sommige studenten betalen bijvoorbeeld hun studies via een studentenjob. Studies die cruciaal zijn in de zoektocht naar werk: het is beter om met een diploma in de hand naar werk te zoeken. In Brussel is het probleem nog veel groter. Uit cijfers van de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest blijkt dat amper 7 procent van alle jobstudenten uit ons land in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn gedomicilieerd. Wanneer studentenjobs alleen openstaan voor familieleden van personeelsleden - rekening houdend met het aantal jobs dat door Vlamingen en Walen wordt ingevuld in Brussel - worden de kansen van de jonge Brusselaars om een studentenjob te vinden enorm beperkt.

Studentenjobs voorbehouden aan familieleden van werknemers, vaak met de beste bedoelingen, is een illustratie van wat we structurele, onbewuste en onbedoelde discriminatie noemen. Unia wil een inclusieve samenleving, met plaats voor iedereen, en wil dus dergelijke praktijken een halt toeroepen. Hoe dat moet gebeuren? Zeker niet door repressie, procedures en veroordelingen. Wel door uitleg te geven, argumenten aan te brengen en te overtuigen om zo mentaliteitsveranderingen teweeg te brengen en vrijwillige verbintenissen aan te gaan. Dus zijn de instanties voor sociaal overleg de bevoorrechte plaatsen om deze kwestie verder te bespreken.

Die veranderingen kunnen trouwens geleidelijk worden ingevoerd. Een bedrijf kan bijvoorbeeld beginnen met een bepaald percentage van de jobs toegankelijk te maken voor iedereen en dat percentage vervolgens elk jaar te verhogen.

Smalend wordt bon ton

Wat Unia zegt, is dus echt niet zo ’belachelijk‘, zoals soms klinkt. De absolute vrijheid van ondernemingen kan toch niet het enige argument zijn om een dergelijk probleem onder het tapijt te vegen. En het is te gemakkelijk om een beargumenteerd debat uit de weg te gaan omdat Unia zogezegd geobsedeerd is door discriminatie. Wetende dat andere betrokken partijen, zoals de sociale partners, de bedrijfswereld en de politieke verantwoordelijken deze traditie eveneens in twijfel trekken.

Onze standpunten zijn steeds gebaseerd op een analyse. Vandaag lijkt het echter bon ton om smalend te doen over die standpunten. So be it, maar het is triest wanneer dat smalend doen een doel op zich wordt, en er niet meer wordt gekeken naar de inhoud van de discussie.