Correctionele rechtbank Brussel, 13 april 2021

13 april 2021
Actiedomein: Media/internet
Discriminatiegrond: Racisme
Gerechtelijk arrondissement: Brussel

Een weervrouw van Afrikaanse afkomst is het voorwerp, via sociale media, van boodschappen die aanzetten tot haat, discriminatie en geweld. Er zijn ook boodschappen die haat spuien ten aanzien van personen van Joodse afkomst.

Correctionele rechtbank Brussel, 13 april 2021

Datum: 13 april 2021

Instantie: Correctionele rechtbank Brussel

Criterium: racisme

De feiten

In september 2018 publiceerde Cécile Djunga, weervrouw bij de RTBF, op sociale media een video waarin ze haar verdriet uitte over de racistische berichten waarvan ze sinds het begin van haar carrière het mikpunt is. Als reactie op deze video kregen zij en haar werkgever meerdere haatberichten.

Het onderzoek identificeerde  de auteur van een van deze berichten met een bijzonder hatelijke en dreigende inhoud: « [...] Afrika zal u altijd met open armen ontvangen als België u niet kan uitstaan! Als u een aanval zou ondergaan (hopelijk met dodelijke afloop) zal ik je aanvaller niet aangeven, ik zal hem eens goed feliciteren! ». Het parket stelde vast dat de dader gekend was voor dit soort publicaties en opende een tweede zaak tegen hem wegens andere publicaties met racistische en antisemitische connotaties. Hij publiceerde namelijk een foto van een bord met de tekst « JUDENFREI » en gaf hierop als commentaar: « Dit mooie bord kan een restauratiebeurt wel gebruiken ». 

De beklaagde werd daarom zowel vervolgd voor zijn uitlatingen tegen Cécile Djunga als voor de andere uitspraken.

Unia stelde zich burgerlijke partij (in beide zaken) naast RTBF en Cécile Djunga. De verdachte verkoos niet te verschijnen.

Juridische kwalificatie

In het eerste dossier heeft het parket de auteur van het bericht vervolgd voor :

  • Aanzetten tot haat of geweld jegens een persoon (art. 20 van de Antiracismewet).

In het tweede dossier werd de beklaagde vervolgd voor :

  • Aanzetten tot haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan (artikel 20 van de Antiracismewet);
  • Verspreiding van denkbeelden die zijn gegrond op rassenhaat of rassuperioriteit (artikel 21 van de Antiracismewet);
  • Het ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd (artikel 1 van de Negationismewet).

Beslissing 

De rechtbank heeft in beide zaken alle tenlasteleggingen gegrond verklaard. 

Na een zorgvuldige toetsing van de constitutieve bestanddelen van het aanzetten tot haat, oordeelde de rechtbank dat het inderdaad ging om aanzetten tot haat.

De rechter wenst niettemin het verschil in herinnering te brengen tussen beledigen en aanzetten tot, hetgeen een zekere aanmoediging, aansporing of uitlokking impliceert: « Hoewel de rechtbank kan begrijpen dat het vergelijken van Afrikanen met « Afrikaans strontvee» of het spreken over een « teef en kutnegerin» in absolute zin zou kunnen worden beschouwd als een aanmoediging tot haat, kan men dit niet in rechte handhaven, omdat dit zou betekenen dat elke racistische belediging ipso facto een aanzetten tot haat zou inhouden, hetgeen duidelijk niet de bedoeling van de wetgever was ».     

De rechtbank was echter wel van oordeel dat sommige van deze gediskwalificeerde opmerkingen (bijv. «dat  Afrikaanse strontvee») konden worden beschouwd als het verspreiden van ideeën gebaseerd op rassuperioriteit. Hierdoor wordt een interessante meerwaarde aan dit misdrijf toegevoegd.

De rechter hield ook rekening met het misdrijf van negationisme en verklaarde dat « door aan te geven dat het bord waarop « JUDENFREI »  staat zou moeten worden gerestaureerd, de beklaagde duidelijk zijn goedkeuring, en des te meer zijn wens, te kennen heeft willen geven voor een samenleving « vrij van Joden », aangezien dit vrij zijn van alleen kan worden bereikt door hun uitroeiing (...)».

De dader werd veroordeeld tot 6 maanden gevangenis (waarvan 15 dagen effectief en de rest met 3 jaar uitstel) en tot een boete van 1.600 euro. De burgerlijke partijen ontvingen elk 500 euro schadevergoeding.  

Aandachtspunten

In dit vonnis vestigt de rechtbank duidelijk de aandacht op de constitutieve bestanddelen die eigen zijn aan de misdrijven  aanzetten tot,  beledigen, verspreiden van racistische ideeën en negationisme en maakt het onderscheid tussen deze misdrijven duidelijk.

Dit dossier beklemtoont de moeilijkheden die onderzoekers kunnen ondervinden in cyberhate-dossiers. Hoewel de klacht aanvankelijk tegen een tiental personen was gericht, leidde het onderzoek uiteindelijk slechts tot de vervolging van één persoon. Wegens gebrek aan medewerking vanwege Facebook, was het niet altijd mogelijk de andere personen te identificeren, ondanks de tenlasteleggingen van het parket.

Unia was betrokken partij.

Afgekort: Corr.rb.Brussel, 13-04-2021