Aanbevelingen met betrekking tot het schoolvervoer van leerlingen met een handicap (Vlaamse Gemeenschap)

3 januari 2012
Actiedomein: Onderwijs
Discriminatiegrond: Handicap
Bevoegdheidsniveau: Vlaamse Overheid

Onderwerp: Aanbevelingen met betrekking tot het schoolvervoer van leerlingen met een handicap

Bestemmelingen:

  • Vlaams minister van Onderwijs en Gelijke Kansen
  • Vlaams minister van Mobiliteit
  • Dienst voor Leerlingenvervoer van het Departement Onderwijs
  • Dienst Exploitatie van De Lijn

Vaststelling

Het schoolvervoer van leerlingen met een handicap in Vlaanderen wordt georganiseerd door de Dienst voor Leerlingenvervoer van het Departement Onderwijs en door de dienst Exploitatie van De Lijn.  Niettegenstaande de goodwill van de beide diensten en de dagelijkse inzet van hun medewerkers, blijven er nog heel wat pijnpunten bestaan die voor veel ouders en kinderen met een handicap tot vervelende, zelfs schrijnende situaties leiden.

Naar aanleiding van de actie die het Centrum samen met het Kinderrechtencommissariaat van de Franse Gemeenschap aan het begin van het nieuwe schooljaar ondernomen heeft, kwamen ook een aantal reacties van Vlaamse ouders van leerlingen met een handicap.

Eerder, in 2007, verkreeg een groep ouders een hoorzitting rond deze thematiek in het Vlaams Parlement.  Naar aanleiding van deze hoorzitting is toen de Commissie Leerlingenvervoer op gericht, die ondertussen een stille dood zou gestorven zijn.

Tevens legden de toenmalige ministers van Onderwijs en Mobiliteit (respectievelijk minister Vandenbroucke en minister Van Brempt) toen een streefduur voor de ritten vast van 220 minuten per dag, hetzij 3 uur en 40 minuten. Tegelijk werd het budget van De Lijn verhoogd en kwamen er op twee jaar tijd 200 ritten extra (op een totaal van 1.564 vandaag).

De kinderrechtencommissaris van de Vlaamse Gemeenschap geeft in zijn verslaggeving aan het Vlaams Parlement aan dat er elk jaar opnieuw een aantal vragen komen over de complexe regeling van het schoolvervoer in het buitengewoon onderwijs.  De kinderrechtencommissaris refereert hierbij aan het probleem dat kinderen met een handicap soms ’s morgens om half zeven vertrekken thuis en ’s avonds even laat thuiskomen.  En ook bij het departement Onderwijs komen geregeld klachten binnen over de lange duur van de trajecten.

Uit contacten met ouders en met de betrokkenen actoren blijken volgende pijnpunten:

  • ritduur (vroeg opstaan en laat thuis komen, vermoeidheid, missen van lessen, …);
  • nood aan overleg tussen alle betrokkenen (organisatie ritten, vastleggen ophaalgebied, toestaan van uitzonderingen, …)
  • kwaliteit van de dienstverlening (kwaliteit van de voertuigen, gedrag van de bestuurders en de begeleiders, gebrek aan communicatie, …);
  • opvolgen van klachten (geen aanspreekpunt, geen controle, …)
  • werkzaamheden en samenstelling Commissie Leerlingenvervoer

Wettelijke bepalingen

Het schoolvervoer van leerlingen met een handicap kadert binnen de wet van 15 juli 1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor Leerlingenvervoer.  Langs Vlaamse kant wordt de dienstverlening opgevolgd door de Dienst voor Leerlingenvervoer van het departement Onderwijs.

Artikel 5 van de genoemde wet somt de opdrachten op die de dienst moet vervullen:

  1. het opstellen en coördineren van de reglementering;
  2. de rationalisering van het vervoer, het vastleggen van de reisroutes, het vaststellen van de behoeften;
  3. de organisatie van het overleg en van de coördinatie tussen de onderwijsnetten;
  4. de organisatie van de begeleiding van de leerlingen;
  5. de voorbereiding, het onderzoek en het behandelen van de vervoerdossiers;
  6. de verrichtingen inzake het toezicht op de georganiseerde diensten voor vervoer.

Het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, wees de volgende bevoegdheden toe aan De Lijn (in artikel 6):

  • het vastleggen van de reisroutes;
  • het vaststellen van de behoeften;
  • het in eigen beheer of via uitbesteding uitvoeren van de busdiensten.

De subsidiëring van de busbegeleiding wordt geregeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de subsidiëring van de zonale busbegeleiding.  Busbegeleiders beschikken voortaan over een contract voor het hele schooljaar (10 maanden) en worden tijdens de korte schoolvakanties doorbetaald.  Er werd eveneens een minimumloon vastgelegd en een recht op een eindejaarstoelage en vakantiegeld.  Het besluit voorziet verder in een voorschottenmechanisme zodat scholen al bij de start van het schooljaar voldoende middelen ter beschikking hebben om de lonen van de begeleiders te betalen; ze moeten dus geen middelen meer voorschieten.

Organisatie vervoer

Het Centrum had in Mechelen een constructief en instructief onderhoud met de dienst Exploitatie van De Lijn.  Er werd een uiteenzetting gegeven over het schoolvervoer van leerlingen met een handicap in de vijf Vlaamse provincies, met een bespreking van de meest recente cijfers.

In Vlaanderen is de situaties gekenmerkt door een zeer grote spreiding van de scholen buitengewoon onderwijs over de drie netten.  Deze scholen organiseren onderwijs voor één of meerdere types handicap, en bieden één of meerdere van de vier opleidingsvormen aan.  Voor het aantal scholen wordt verwezen naar tabel 1 en 2 in bijlage.

De scholen van deze verschillende netten, types en opleidingsvormen zijn niet evenredig geografisch gespreid.  Bovendien komt het vaak voor dat scholen volzet zijn en dat er dus een school moet gezocht worden die (nog) verder gelegen is.

Daarnaast is de ruimtelijke ordening in Vlaanderen niet logisch georganiseerd zoals bijvoorbeeld in Nederland, waar er een netwerk is van dorpswegen die aansluiten op regionale wegen die aansluiten op expreswegen…

De Lijn moet in principe ingaan op elke vraag van een ouder.  In deze context wordt ook opgemerkt dat men de indruk heeft dat bepaalde ouders schoolvervoer zien als gratis kinderopvang en dus baat hebben bij een lange duur van het traject.  Deze ouders kiezen daarom net die scholen die heel veraf gelegen zijn.

De kinderen worden bijna allemaal thuis opgehaald en afgezet.  De berekening van de trajecten verloopt meer en meer aan de hand van een computermodel dat de snelste route berekent op basis van een aantal variabelen: begin- en eindtijden van de scholen (die overigens sterk uiteenlopen), verschillende plaatsen waar eenzelfde leerling moet opgehaald of afgezet worden (kinderen van gescheiden ouders bijvoorbeeld of kinderen die op bepaalde dagen bij de grootouders logeren), de verkeerssituatie, beperkingen voor bussen in stadskernen, congestie aan de schoolpoort vermijden…

Om te vermijden dat vanuit de verschillende regio’s dertig verschillende bussen op hetzelfde uur aan één school toekomen, worden overstapplaatsen georganiseerd waar leerlingen uit verschillende regio’s die naar dezelfde school moeten, overstappen op één bus.  Het is de bedoeling dat dit computermodel op termijn in alle provincies gebruikt wordt. De betrachting is hierbij steeds face-to-drop: de bus maakt geen lussen maar rijdt zo recht mogelijk naar de bestemming. 

In tabel 3 (zie bijlage) wordt een overzicht gegeven van het aantal vervoerde leerlingen met een handicap en het aantal ritten per provincie.  In de tabel wordt ook het aantal ritten vermeld die langer duren dan 220 minuten en het aantal leerlingen die langer dan 220 minuten op de bus zitten.

Uit de tabel blijkt dat 1,47 procent van de leerlingen langer dan 220 minuten per dag op de bus zit.  De percentages liggen het hoogst in Antwerpen, Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen.  Dit heeft enerzijds te maken met de grote verkeersdrukte in deze regio’s (vooral in Antwerpen en in Vlaams-Brabant) en anderzijds met het gegeven dat enkel in deze drie regio’s onderwijs aangeboden wordt voor kinderen van het type 6 (visuele beperking).

De Lijn is zelf vragende partij voor duidelijke criteria.  Voor scholen betekent elke extra leerling echter ook extra centen, van hoever die leerling ook moet komen.  Veel scholen zijn daarom geen voorstander van het werken met vervoergebieden (straal waarbinnen leerlingen kunnen vervoerd worden), wat door De Lijn nochtans als één van de weinige mogelijke oplossingen voor de bestaande problemen gezien wordt.

Het schoolvervoer wordt door De Lijn uitbesteed aan de hand van een bestek waarin de nodige voorwaarden met betrekking tot de kwaliteit van de voertuigen en van de bestuurders opgenomen zijn.

Sommige ouders klagen over het gebrek aan kennis van het Nederlands van de bestuurders.  De Lijn geeft aan dat het gaat om een knelpuntberoep en dat het inderdaad moeilijk is om bestuurders te vinden die voldoende Nederlands kennen.  De VDAB organiseert echter cursussen Nederlands voor de bestuurders, specifiek toegespitst op de context van schoolvervoer van leerlingen met een handicap.

Het beroep van bestuurder en begeleider is een erg onaantrekkelijk beroep omdat ’s morgens en ’s avonds enkele uren gewerkt wordt en men daartussen niet betaald wordt.  Bovendien speelt het ‘perverse’ effect dat wanneer de duur van de trajecten korter wordt het beroep nog minder aantrekkelijk wordt.  Het beroep is voor velen een opstap naar een andere job, waardoor het verloop erg groot is.

Aanbevelingen

Het Centrum bracht samen met het Vlaams Kinderrechten-commissariaat verschillende ervaringsdeskundigen (ouders en ouderverenigingen) en verenigingen voor personen met een handicap rond de tafel.  Er werd een consensus bereikt over de volgende aanbevelingen:

1. Maximum ritduur bepalen op 180 minuten

Vandaag zou de maximum ritduur bepaald zijn op 240 minuten, terwijl de ministers van Onderwijs en Mobiliteit destijds 220 minuten als streefduur hadden vooropgesteld.  Alle deelnemers zijn het er echter over eens dat de maximale ritduur per dag niet meer mag bedragen dan 180 minuten, wat nog altijd neerkomt op anderhalf uur enkele rit.  Wat betreft vertrek- en aankomsttijd zou een kind niet voor zeven uur mogen vertrekken en niet na vijf uur mogen thuis komen.

Een uitzondering op de maximum ritduur kan eventueel gemaakt worden voor kinderen die op maandag van heel ver naar een residentiële setting gebracht worden en op vrijdag terug naar huis.  Uiteraard dient ook hier steeds gewaakt te worden over het welzijn van het kind.

2. Budget koppelen aan het aantal leerlingen

Het budget dat aan De Lijn ter beschikking wordt gesteld voor de organisatie van het schoolvervoer wordt jaarlijks geïndexeerd, maar is niet gekoppeld aan het aantal leerlingen.  Toch kan vastgesteld worden dat het aantal leerlingen dat school loopt in het buitengewoon onderwijs jaarlijks toeneemt (van net geen 35.000 in 2003 naar meer dan 38.000 in 2010).  We stellen voor om het budget niet alleen jaarlijks te indexeren, maar ook te koppelen aan het aantal leerlingen.

3. Commissie Leerlingenvervoer

De Commissie Leerlingenvervoer moet heropgestart worden en de samenstelling ervan moet herzien worden.  In de eerste plaats dienen ook ouders en ouderverenigingen er deel van uit te maken.  Zij zijn de eerste belanghebbenden en het dichtst betrokken bij de problematiek.  Daarnaast moeten vertegenwoordigers van de organisaties voor personen met een handicap en de scholen mee vertegenwoordigd zijn.

Het takenpakket en de bevoegdheden van de Commissie Leerlingenvervoer moeten duidelijk afgebakend worden.  Ze moet inspraak hebben bij het opstellen van de criteria voor het schoolvervoer en bij de organisatie ervan (zie volgende aanbeveling).  Daarnaast moet ze ook een controlefunctie uitoefenen en de klachten van ouders en scholen met betrekking tot het schoolvervoer opvolgen.  Tenslotte dient de Commissie Leerlingenvervoer een jaarlijkse evaluatie op te maken van het schoolvervoer.

4. Nood aan duidelijke criteria voor De Lijn

Momenteel zijn er geen wettelijke bepalingen die voorschrijven hoe het collectief vervoer dient te worden georganiseerd.  De Lijn handelt naar best vermogen, maar heeft geen enkel referentiekader om haar handelen te legitimeren.  Er bestaan geen criteria die bepalen op welke manier dit moet gebeuren, welke garanties moeten ingebouwd worden, hoe de controle moet gebeuren, waar ouders terecht kunnen met vragen of klachten, …  Het opstellen van duidelijke criteria zou duidelijkheid scheppen voor alle betrokken partijen: De Lijn, de ouders, de scholen en het departement Onderwijs.  Ook De Lijn zelf is hiervoor vragende partij.  De Commissie Leerlingenvervoer moet betrokken worden bij het opstellen van deze criteria.

5. Scholen en ouders betrekken bij de organisatie van de ritten

Vandaag worden veel scholen niet betrokken bij de organisatie van de ritten.  Er is geen of nauwelijks overleg tussen scholen en De Lijn.  Dit zorgt vaak voor communicatieproblemen en misverstanden tussen de betrokken partijen.  Het is aangewezen om de scholen mee te betrekken bij de organisatie van de ritten.  Ook de ouders kunnen hierbij betrokken worden.

6. Nood aan overleg tussen alle betrokken actoren

Er is nood aan structureel overleg tussen alle betrokken actoren: De Lijn, het departement Onderwijs, de scholen, de ouders, de busbegeleiders.  Hiervoor dienen de nodige garanties te worden ingebouwd in de regelgeving.

7. Meer middelen vrijmaken voor individueel vervoer

Ouders die kiezen voor individueel vervoer krijgen slechts 75 procent van de kostprijs van een treinticket terugbetaald, waardoor individueel vervoer niet echt een realistische optie is.  Door de tegemoetkoming in individueel vervoer te verhogen voor gezinnen die meer afgelegen wonen, wordt individueel vervoer voor deze ouders een realistische optie en kan het collectief vervoer een beetje ontlast worden.

8. Diensten Aangepast Vervoer als aanvulling

Daar waar collectief schoolvervoer niet mogelijk is of zou resulteren in een te lange ritduur, dient de mogelijkheid van Diensten Aangepast Vervoer (DAV) te worden overwogen indien dit financieel en praktisch haalbaar is.  De financiering hiervan wordt opgenomen in het budget van De Lijn.  De betrokken bestuurders moeten in dat geval ook een opleiding volgen.

9. Structureel verankeren opleiding rond handicap

De opleiding over handicap die sinds september verstrekt wordt aan busbegeleiders, bestuurders en schoolmedewerkers moet structureel worden verankerd zodat verzekerd wordt dat al wie bij het schoolvervoer betrokken is dergelijke opleiding gevolgd heeft.  In de opleiding moet onder meer de actuele visie op handicap aan bod komen, moeten de oorzaken en gevolgen van handicap besproken worden, en moeten richtlijnen gegeven worden over het omgaan met personen met een handicap.

10. Vervoer van niet-rechthebbende leerlingen

Wanneer de (niet-rechthebbende) broer of zus naar dezelfde school gaat als een rechthebbende leerling, wordt gevraagd dat niet-rechthebbende leerlingen gebruik kunnen maken van vrije plaatsen op de bus.  Eventueel mits betaling.  De Lijn heeft evenwel gekozen voor een uitdoofbeleid voor het vervoer van niet-rechthebbende leerlingen.  Uitzonderingen moeten mogelijk blijven zodat kinderen van eenzelfde gezin samen de bus kunnen nemen naar dezelfde school.  Daarnaast moeten in individuele gevallen mits motivatie ook uitzonderingen kunnen toegestaan worden.  Deze beslissingen worden idealiter genomen door de Commissie Leerlingenvervoer. 

11. Garanties voor de continuïteit van de schoolloopbaan

Kinderen die hun studies hebben aangevat in een bepaalde school en die gaandeweg georiënteerd worden naar een andere opleidingsvorm, moeten verder school kunnen lopen in hun huidige school, ook al wordt de opleidingsvorm aangeboden in een school die dichter bij huis is. Het gaat hier immers om een kwetsbare groep kinderen voor wie een ingrijpende verandering als het veranderen van school ernstige nadelige gevolgen met zich mee kan brengen.

12. Melden busvertraging

Moderne communicatiemiddelen maken het mogelijk om eventuele vertragingen van de bus te melden aan de ouders, zodat ze de nodige schikkingen kunnen treffen voor kinderopvang. Zowat alle ouders beschikken vandaag over een GSM-toestel zodat de busbegeleider de vertraging per SMS zou kunnen signaleren (wat her en der nu al gebeurt).

13. Faciliteren van kinderopvang

In de rand kan ook aangegeven worden dat voor- en naschoolse kinderopvang door andere (reguliere) scholen in de buurt zou moeten gefaciliteerd worden. Zo kunnen ouders zelf hun kinderen naar school brengen voor de school begint en/of zelf terug ophalen wanneer de school uit is. Daarbij moet het ook mogelijk zijn dat de kinderen hier kunnen opgepikt en/of afgezet worden. Dit moet het voor ouders makkelijker maken om gezin en werk te combineren.

tand van zaken:

  • Verstuurd naar bestemmelingen

 Referenties

  • Wet van 15 juli 1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor Leerlingenvervoer
  • Decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001
  • Besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de subsidiëring van de zonale busbegeleidin

Bijlagen

Tabel 1: types handicap

  • lichte verstandelijke beperking: 141 scholen
  • matige of ernstige verstandelijke beperking: 82 scholen
  • ernstige emotionele en/of gedragsproblemen: 46 scholen
  • fysieke beperking: 30 scholen
  • kinderen die opgenomen zijn in een ziekenhuis: 10 scholen
  • visuele beperking: 5 scholen
  • auditieve beperking: 14 scholen
  • ernstige leerstoornis: 119 scholen

Tabel 2: opleidingsvormen

  • buitengewoon secundair onderwijs tot sociale aanpassing: 70 scholen
  • buitengewoon secundair onderwijs tot sociale aanpassing en arbeidsgeschikt-making: 58 scholen
  • buitengewoon secundair beroeps-onderwijs: ? (Het aantal scholen dat deze opleidingsvorm organiseert, is niet gekend omdat de scholen die beroepsonderwijs organiseren geen onderverdeling maken tussen leerlingen gewoon en buitengewoon onderwijs)
  • ASO, TSO, KSO en BSO: 26 scholen

Tabel 3: overzicht tijdsduur trajecten

Provincie Antwerpen

  • Aantal ritten: 411
  • Aantal leerlingen: 9.740
  • Aantal ritten langer dan 220 min: 108
  • Aantal leerlingen langer dan 220 min: 243
  • Percentage leerlingen langer dan 220 min: 2,49 %

Provincie Vlaams-Brabant

  • Aantal ritten: 232
  • Aantal leerlingen: 4.722 
  • Aantal ritten langer dan 220 min: 42
  • Aantal leerlingen langer dan 220 min: 106
  • Percentage leerlingen langer dan 220 min: 2,24 %

Provincie Limburg

  • Aantal ritten: 237
  • Aantal leerlingen: 6.515
  • Aantal ritten langer dan 220 min: 21
  • Aantal leerlingen langer dan 220 min: 26
  • Percentage leerlingen langer dan 220 min: 0,40 %

Provincie Oost-Vlaanderen

  • Aantal ritten: 374
  • Aantal leerlingen: 8.353
  • Aantal ritten langer dan 220 min: 31
  • Aantal leerlingen langer dan 220 min: 41
  • Percentage leerlingen langer dan 220 min: 0,49 %

Provincie West-Vlaanderen

  • Aantal ritten: 310
  • Aantal leerlingen: 8.297
  • Aantal ritten langer dan 220 min: 53
  • Aantal leerlingen langer dan 220 min: 138
  • Percentage leerlingen langer dan 220 min: 1,66 %

Totaal

  • Aantal ritten: 1.564
  • Aantal leerlingen: 37.627
  • Aantal ritten langer dan 220 min: 255
  • Aantal leerlingen langer dan 220 min: 554
  • Percentage leerlingen langer dan 220 min: 1,47 %