Tegemoetkomingen aan personen met een handicap

13 maart 2013
Actiedomein: Alle domeinen
Discriminatiegrond: Handicap
Bevoegdheidsniveau: Federaal

Onderwerp: voorstellen voor aanpassingen aan de wet van 27 februari 1987.

Bestemmeling: Commissie voor de Sociale Aangelegenheden van de Senaat.

1. Voorstel van resolutie tot uitbreiding van de verfijnde inkomenstoets tot de categorieën 1 en 2 voor de integratietegemoetkoming en de inkomensvervangende tegemoetkoming (stuk 5/81)

Korte inhoud: dit voorstel van resolutie herneemt de tekst van een voorstel dat reeds in 2008 in de Senaat werd ingediend en vraagt de federale regering om enerzijds het systeem 'Prijs van de Liefde' voor alle categorieën af te schaffen en anderzijds ook in fasen de volledige vrijstelling te voorzien van de inkomsten van de partner met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt. Beide maatregelen hebben een belangrijke budgettaire impact, de eerste maatregel wordt geraamd op 10,18 miljoen euro en de tweede maatregel op 20,40 miljoen euro.

Motivering: de motivering van de maatregel ligt voor de auteurs in de finaliteit van de integratietegemoetkoming, dit is met name een tegemoetkoming om de meerkost voor de integratie te dekken. Aan deze kost verandert niks omwille van het al dan niet samenwonen met een partner (partner is ruim te begrijpen en omvat alle inwonende personen, buiten familieleden tot de derde graad).

Opmerkingen van het Centrum
Voorliggend voorstel van resolutie heeft voor wat de integratietegemoetkoming betreft hetzelfde voorwerp als een wetsvoorstel van latere datum (nummer 5-708/1), dat eveneens ter advies voorligt. De toetsing van het verdrag van de verruimde vrijstelling van beroepsinkomsten van de inwonende partner op de integratietegemoetkoming gebeurt daar.

Een positieve opmerking bij dit voorstel van resolutie is alvast dat hierin een concrete inschatting wordt gemaakt van de budgettaire impact van deze maatregel en dat er expliciet aandacht is voor de nood aan een planmatige en gefaseerde invoering van de vooropgestelde maatregelen.

Het Centrum staat er verder ook positief tegenover dat de beroepsinkomsten van de inwonende partner volledig vrijgesteld worden voor de vaststelling van de inkomensvervangende tegemoetkoming (zoals ze dit ook doet rond de vaststelling van de integratietegemoetkoming, zie voorstel 5/1338). Op deze wijze heeft de persoon met handicap bij wie een vermindering van het verdienvermogen is vastgesteld en die geen andere bronnen van inkomen heeft niet ook economisch afhankelijk van de inwonende partner. Dit komt de persoonlijke autonomie van personen met een handicap ten goede. Het voorstel van wet stimuleert, minstens indirect, het samenleven in gezinsverband (artikel 23).

2. Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap teneinde de vermindering van de tegemoetkoming op basis van de inkomsten van de echtgenoot of samenwonende, af te schaffen (stuk 5-708/1)

Korte inhoud: het wetsvoorstel beoogt de volledige afschaffing van de verrekening van het inkomen van de partner of de samenwonende in de berekening van de integratietegemoetkoming.

Motivering: de motivering voor het wetsvoorstel is voor de auteur gelijklopend aan de beweegredenen die de indieners van resolutie 5/81 dreven. De indiener vindt het onrechtvaardig dat een persoon met een handicap die als koppel of met iemand anders dan een familielid wenst samen te leven hiervoor een prijs moet betalen in de vorm van een verminderde integratietegemoetkoming, een tegemoetkoming om de meerkosten van handicap voor integratie te compenseren, en wenst deze teniet te doen door een wijziging van artikel 7 van de wet van 1987.

Opmerkingen van het Centrum
Vooreerst wenst het Centrum enkele algemene opmerkingen te maken.

Het voorstel van wet formuleert nergens in de toelichting enige prognose van budgettaire impact. Het laat anderzijds ook na een stappenplan tot gefaseerde invoering van deze ingrijpende wijzigingen van de wet van 1987 als dwingende noodzaak voorop te stellen, iets wat de resolutie met nummer 5/81 wel voorziet.

Bovendien vermeldt het voorstel niks over het feit dat de verhoogde vrijstelling voor het inkomen van de partner ook reeds geldt voor de categorieën 1 en 2 sinds 2008. alle inkomsten van de partner zijn voor de 5 categorieën vrijgesteld tot 16.354,13 EUR (bedrag gekoppeld aan de index) [1].

Daarnaast wenst het Centrum volgende opmerkingen te formuleren:

  • Het voorstel past binnen art. 28 1. van het verdrag, waarbij staten het recht van personen met een handicap en hun gezin erkennen op een behoorlijke levensstandaard en de voortdurende verbetering van hun levensomstandigheden.
  • Het voorstel komt ook tegemoet aan elementen uit artikel 23 1. waarbij staten zich er onder andere toe verbinden discriminatie op het gebied van onder meer huwelijk en het uitbouwen van een gezinsleven te bannen en aan personen met een handicap het volle recht moeten erkennen om in het huwelijk te treden en een gezin te stichten. Het afschaffen van de verrekening van de inkomsten van de partner ondersteunt dit doel. Een integratietegemoetkoming moet de niet becijferbare meerkost van inclusie opvangen, een meerkost die niet zonder meer wegvalt of vermindert door het aangaan van een huwelijk of het samenleven met anderen dan familieleden.

Het afschaffen van de verrekening van de inkomsten van de partner voor het bepalen van de integratietegemoetkoming is ook een goede zaak voor het ondersteunen en/of in stand houden van alternatieve samenlevingsverbanden (bijvoorbeeld vanwege de hogere woning- en huurprijzen), ook tussen mensen die niet noodzakelijk een affectieve, familiale of economische band hebben.

3. Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap en het koninklijk besluit van 5 maart 1990 voor hulp aan bejaarden, teneinde de ouderen met een verminderde zelfredzaamheid te steunen (stuk 5-673)

Korte inhoud: het voorliggende voorstel beoogt een wijziging aan te brengen aan de uitkering hulp aan bejaarden, een uitkering voor 65-plussers bij wie een gebrek of verlies aan zelfredzaamheid werd vastgesteld na de leeftijd van 65 en die voordien geen uitkering als persoon met een handicap genoten

De uitkering hulp aan bejaarden hangt af van de mate van zelfredzaamheid enerzijds en de hoogte van de andere inkomsten anderzijds, daar deze uitkering residuair is en enkel wordt toegekend indien andere inkomstenbronnen ontoereikend of onbestaande zijn. Op de inkomsten wordt volgens de categorie waarin de persoon behoort een abattement toegepast (A, B of C, al naar het geval betrokkene alleen woont (of niet) en/of kinderen ten laste heeft).

Het voorstel beoogt:

  • De vrijstellingsgrenzen op inkomsten geheel af te schaffen voor +85-jarigen.
  • De vrijstellingsgrenzen op inkomsten te verhogen voor 65- tot 84-jarigen, met 3.234,97 euro voor categorie A en B en 5.298,60 euro voor categorie C (respectievelijk +27% en +36%).
  • Het bedrag van de tegemoetkoming te verhogen met 10%.

Motivering: de auteur geeft aan dat uitkeringen hulp aan bejaarden moeten worden versterkt in lijn met de verwachtingen van het Groenboek dat werd opgesteld in het raam van de Nationale Conferentie voor de pensioenen (www.pensioenconferentie.be), een Groenboek dat voorschrijft dat de bestaande uitkeringen voor oudere personen met een handicap moeten worden versterkt in de strijd tegen de armoede.
 

Opmerkingen van het Centrum

Het Centrum juicht initiatieven toe om de inkomenspositie van ouderen te verbeteren (het verdrag erkent in artikel 28 2. b. ouderen met verminderde zelfredzaamheid expliciet als één duidelijke risicogroep voor armoede).

Het Centrum wenst vooreerst enkele algemene (technische en fundamentele) opmerkingen te maken.

  • Het voorstel bevat geen prognose van de budgettaire impact van het voorstel van wet.
  • Verder bevat het voorstel geen motivering om de grens voor het algeheel vrijstellen van de inkomsten te leggen op 85 jaar. Het is niet zonder meer te motiveren om de grens van 85 jaar naar voor te schuiven. Mogelijks wordt een discriminatie op grond van leeftijd in het leven geroepen. Mensen met een verminderde zelfredzaamheid kunnen bij wijze van voorbeeld al vanaf de leeftijd van 65 jaar in een woonzorgcentrum worden opgenomen (Vlaamse Gemeenschap)[2] of vanaf 60 jaar in een ‘maison de repos’ (Franstalige Gemeenschap)[3]. Deze opnames veroorzaken vanaf de opname hoge kosten.
  • Ten derde is ook het voorstel niet gemotiveerd om de vrijstellingsgrenzen op alle inkomsten voor min 85-jarigen zowel absoluut als relatief niet in dezelfde mate te laten stijgen voor de categorieën A en B aan de ene kant en C aan de andere kant. De achterliggende reden hiervoor wordt niet vermeld. Fundamenteel is het Centrum er voorstander van om andere inkomsten niet mee te nemen in de bepaling van de hulp aan bejaarden, voor zover de tegemoetkoming de bedoeling heeft om handicap-specifieke meerkosten te vergoeden.

Los van de inhoud van het voorstel wenst het Centrum erop te wijzen dat de tegemoetkoming hulp aan bejaarden ingevolge het Regeerakkoord dd. 1 december 2011 (punt 3.2.3.) een gemeenschapsbevoegdheid wordt. De regeling zal dus in de toekomst waarschijnlijk opnieuw voorwerp zijn van wijzigingen door een ander bestuursniveau.

4. Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, teneinde de zelfredzaamheid van bejaarden te steunen (stuk 5-1.339-1)

Korte inhoud: dit voorstel beoogt net als het voorstel 5-673 de uitkering hulp aan bejaarden te versterken.

Het voorstel houdt concreet het volgende in:

  • Het verhogen van de uitkering met 10% voor de categorie 2 tot 5 en het verhogen van de uitkering met 30% voor de eerste categorie.
  • Een verhoging van de vrijstellingsgrenzen op de inkomsten tot 17.219,36 euro voor categorie A en B (voor mensen die met familie samenwonen of alleen wonen) en 18.450,72 euro voor categorie C (voor mensen die samenleven met een partner of kinderen ten laste hebben).
  • Een volledige vrijstelling op de inkomsten vanaf de leeftijd van 85 jaar.
  • Een evaluatie van de maatregelen na 2 jaar.

Motivering: voor het motiveren van de maatregelen halen de auteurs verschillende redenen aan: de stijging van het aantal bejaarden met zelfredzaamheidsproblemen door de stijgende levensverwachting, de stijgende kosten van een verblijf in het rusthuis, het pensioen van vele gepensioneerden – in het bijzonder dat van vrouwen – dat onder de armoededrempel ligt, … Verder wordt de nood aan het opwaarderen van de tegemoetkoming hulp aan bejaarden geargumenteerd door het ontbreken van een systeem van het vergoeden van mantelzorg in Brussel en Wallonië.

Opmerkingen van het Centrum
De opmerkingen die het Centrum rond dit wetsvoorstel wil uitbrengen, zijn gelijklopend aan de opmerkingen die werden uitgebracht voor het stuk 5-673.

Het ontbreken van een overzicht van de budgettaire implicaties kan ook hier als opmerking gelden, net zozeer als de ontbrekende motivering om de leeftijdsgrens voor het totaal vrijstellen van inkomsten te leggen op 85 jaar en om de uitkering hulp aan bejaarden niet voor alle categorieën in gelijke mate te laten verhogen.

5. Wetsvoorstel tot wijziging van het artikel 12, §1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, teneinde de inhouding op de integratietegemoetkoming van een persoon die in een instelling wordt opgenomen, op te heffen (stuk 5-688-1)

Korte inhoud: het voorliggende voorstel beoogt het art. 12 § 1 van de wet van 27 februari 1987 op te heffen, een artikel waarin bepaald wordt dat de uitbetaling van de integratietegemoetkoming voor 28 % wordt opgeschort bij opname van de persoon met een handicap in een instelling geheel of gedeeltelijk op kosten van de overheid, een openbare dienst of een sociale-zekerheids-instelling. Voor de toepassing van deze inhouding moeten drie voorwaarden samen vervuld zijn: de persoon moet dag en nacht in een instelling zijn opgenomen, de persoon mag niet in een gezin geplaatst zijn en de opname moet ten minste drie maanden duren (een verblijf buiten de instelling van maximaal 15 dagen schorst deze periode niet).

Motivering: de auteur motiveert zijn voorstel door te stellen dat de opname van de persoon met een handicap de kosten en moeilijkheden voor de integratie van de persoon niet wegneemt. Een dergelijke inhouding op de tegemoetkoming beperkt integendeel volgens de auteurs nog sterker de kansen om meer maatschappelijk te participeren (dit door een kleiner beschikbaar budget).

Opmerkingen van het Centrum

Het voorstel maakt niet duidelijk wat haar budgettaire gevolgen zijn.

Het Centrum meent dat het voorstel – door het ter beschikking krijgen van een ruimer budget – de kansen tot een beter zelfbeschikkingsrecht van personen die residentiële opvang ten laste van de gemeenschap ontvangen (artikel 3), hun maatschappelijke participatie (artikel 3) en het voorzien van een behoorlijke en continue verbeterende levensstandaard (artikel 28) verbetert. Een langdurig verblijf in een niet-handicapspecifieke (bijvoorbeeld ziekenhuis) en handicapspecifieke ondersteuningsvorm brengt zeker ook (veel) kosten mee die niet (ten volle) gedragen worden door het algemeen systeem van sociale zekerheid of gelijkaardige systemen, zoals het systeem van het gewaarborgd zakgeld zoals bij bepaalde vormen van residentiele ondersteuning.

6. Wetsvoorstel tot aanpassing van de wetgeving betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap en betreffende de kinderbijslag aan de burgerlijke meerderjarigheid van achttien jaar (stuk 5-1.360-1)

Korte inhoud: de wetgeving op de inkomensvervangende en integratietegemoetkoming voorziet nu dat deze tegemoetkomingen kunnen worden toegekend aan diegenen die op het ogenblik van de aanvraag ouder zijn dan 21 jaar en jonger dan 65 jaar, behoudens bij huwen of het hebben van kinderen op jongere leeftijd. De leeftijd van 21 jaar was in 1987 de leeftijd van de burgerlijke meerderjarigheid. Deze burgerlijke meerderjarigheid is in België sinds 1990 echter vastgesteld op 18 jaar. Dit voorstel beoogt de leeftijdsvereiste voor de inkomensvervangende en integratietegemoetkoming voor iedereen terug te brengen tot 18 jaar en ook de wetgeving op de verhoogde kinderbijslag aan dit gegeven aan te passen. De verhoogde kinderbijslag kan immers volgens de huidige stand van de wetgeving worden toegekend tot de leeftijd van 21 jaar, de leeftijd waarop de inkomensvervangende en integratietegemoetkoming voor het eerst kan worden toegekend.

Motivatie: de auteurs van het voorstel zien voor de aanpassing van de leeftijd niet louter wetgevingstechnische, maar ook emancipatorische argumenten: door het aanbieden van een IVT- en IT-uitkering aan diegenen die er na evaluatie aanspraak kunnen op maken, wordt hun volwassenheid en onafhankelijkheid op grond van gelijkheid met anderen expliciet erkend en bevestigd. De verruimde financiële positie zorgt voor meer mogelijkheden om een zelfstandig en onafhankelijk leven uit te bouwen.

Opmerkingen van het Centrum

Het Centrum heeft volgende technische en inhoudelijke opmerkingen.

  • Het voorstel maakt niet duidelijk wat haar budgettaire gevolgen zijn.
  • De verlaging van de toekenningsleeftijd tot de leeftijd van de meerderjarigheid is gelijklopend aan toekenningsvoorwaarden in gelijkaardige systemen zoals het leefloon of de werkloosheidsuitkering. Het komt de persoonlijke autonomie van personen met een handicap ten goede.
  • Bovendien is het voorstel een vertaling van een fundamentele bepaling in het artikel 12 van het verdrag, welk stelt dat personen met een handicap rechtsbekwaam zijn voor alle aspecten van het leven op voet van gelijkheid met anderen.
  • Wel past het hier blijvende aandacht te vragen voor de blijvende noodzaak aan stimulerende maatregelen om de werkzaamheidsgraad van personen met een handicap te verhogen en voor blijvende stimuli voor het maximaal doorlopen van het (inclusief) onderwijssysteem, met inbegrip van het eventueel volgen van tertiair onderwijs. Door het vervroegen van de toegangsleeftijd tot de inkomensvervangende en integratietegemoetkoming bestaat de kans op het creëren van 'werkloosheidsval' en een verminderde maatschappelijke participatie.

7. Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, teneinde alle beperkingen op de cumulatie tussen tegemoetkomingen en beroepsinkomsten weg te werken (stuk 5-689)

Korte inhoud: het voorstel beoogt de beroepsinkomsten van de gerechtigde op een inkomensvervangende tegemoetkoming geheel vrij te stellen. Deze vrijstelling bedraagt in de huidige stand van de wetgeving 50% van de inkomsten tot 4.000 euro en 25% van de inkomsten tussen 4.000 en 6.000 euro (niet geïndexeerde grensbedragen). Alle beroepsinkomsten daarboven en inkomsten uit andere bronnen (zoals een ziekte- en invaliditeitsuitkering, maar ook bijvoorbeeld een werkloosheidsvergoeding) worden respectievelijk niet of slechts heel beperkt vrijgesteld.

Motivering: de auteur wenst de personen met een handicap niet langer 'te benadelen' bij het opnemen van betaald werk, a fortiori deeltijds werk.

Opmerkingen van het Centrum
De inkomensvervangende tegemoetkoming heeft tot doel om een inkomen te voorzien (indien men geen andere rechten binnen het systeem van sociale zekerheid kan doen gelden) of aan te vullen voor personen met een handicap die een verminderd verdienvermogen hebben. Het inkomen is om die reden residuair van karakter, zowel op de eigen inkomenssteun, die van de partner als andere inkomsten.

Het Centrum wenst volgende opmerkingen te maken.

  • Het voorstel maakt opnieuw niet duidelijk wat haar budgettaire gevolgen zijn.
  • Het Centrum is er vanuit het perspectief van verruimde zelfbeschikking en vanuit het oogpunt dat het stimuleren van het aangaan van een relatie en het leven in gezinsverband of alternatieve samenlevingsvormen, voorstander van om de inkomsten van de partner niet mee te nemen in de bepaling van de hoogte van de inkomensvervangende tegemoetkoming. Onder de huidige regelgeving wordt de persoon met een verminderd verdienvermogen bij samenwoonst in een economisch afhankelijke positie geplaatst.
  • Over de samenloop van de inkomensvervangende tegemoetkoming met eigen beroepsinkomsten of vervangingsinkomsten, meent het Centrum dat het belangrijk is om verder een systeem te bouwen met belangrijke stimuli om werk op te nemen, zonder daarvoor alle beroepsinkomsten van de personen met een handicap vrij te stellen. De inkomensvervangende tegemoetkoming is en blijft best bedoeld als residuaire inkomstenbron.
  • Belangrijk is dat de inkomensvervangende tegemoetkoming (eventueel in samenloop met andere vervangingsinkomsten) mensen met een handicap maximaal dient te vrijwaren van armoede en perspectief moet bieden op een behoorlijke levensstandaard. Het verdrag schrijft doorheen het artikel 28 2. b. voor dat een verdragsluitende staat het terugdringen van armoede moet waarborgen en het recht op een behoorlijke levensstandaard moet erkennen.

8. Wetsvoorstel tot opwaardering van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap (stuk 5-1.338)

Het wetsvoorstel 1338 bouwt voort op het voorstel 5-689 betreffende de cumulatie tussen beroepsinkomsten en de inkomensvervangende tegemoetkoming en op het voorstel 5-708 betreffende de vrijstelling van het inkomen van de partner bij de berekening van de integratietegemoetkoming.

Het voorstel beoogt in essentie vier zaken:

  • Het vrijstellen van het inkomen van de persoon met wie de persoon met handicap een huishouden vormt tot 10.500 € bij de berekening van de inkomensvervangende tegemoetkoming.
  • Het verhogen van de vrijstellingsgrenzen op de eigen beroepsinkomsten bij de berekening van de inkomensvervangende tegemoetkoming (van 4.000 naar 10.450 euro en van 6.000 tot 24.375 euro).
  • Het substantieel verhogen van de vrijstellingsgrenzen op de andere inkomsten bij de berekening van de inkomensvervangende tegemoetkoming, van 500 tot 6.950 euro.
  • Het volledig vrijstellen van de eigen inkomsten, de vervangingsinkomsten en de inkomsten van de partner bij het bepalen van de integratietegemoetkoming.

Motivering: de auteurs motiveren hun voorstel als een poging om de activiteitsgraad van personen met een handicap te verhogen en zogenaamde werkloosheidsvallen weg te werken.

Opmerkingen van het Centrum
Het voorstel bevat opnieuw geen overzicht van de budgettaire impact van de voorgestelde maatregelen.

Het Centrum merkt verder het volgende op:

  • Betreffende het verruimd vrijstellen van de inkomsten van de partner bij de bepaling van de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming: in lijn met haar visie uitgebracht bij voorstel 5/689 en resolutie 5/89 is het Centrum er voorstander van de inkomensvervangende tegemoetkoming te beschouwen als een persoonsgebonden inkomen – dat bestaanszekerheid moet waarborgen – en de inkomsten van de partner in de bepaling ervan niet mee te nemen, dit in de geest van het artikel 28 van het verdrag. Argumenten hiervoor zijn het zelfbeschikkingsrecht van personen (artikel 3), de nood aan stimuli voor het maximaal uitbouwen van een gezinsleven (artikel 23), het aangaan van alternatieve samenlevingsverbanden (artikel 23), … .
  • Dezelfde redenering gaat op voor de integratietegemoetkoming (cfr. 5/708). Deze tegemoetkoming heeft tot doel niet becijferbare kosten eigen aan de handicap te dekken, kosten die niet noodzakelijk wijzigen door samenwoonst of huwelijk.
  • Over de samenloop van de inkomensvervangende tegemoetkoming en de eigen beroepsinkomsten en vervangingingsinkomsten, vraagt het Centrum een systeem uit te bouwen met stimuli om bij mogelijkheid werk op te nemen, maar vooral te waken over de koppeling van de inkomensvervangende tegemoetkoming, of de som van de inkomensvervangende tegemoeting en vervangingsinkomsten, aan minstens de armoedegrens.
  • Het Centrum toont zich voorstander van de volledige vrijstelling van de eigen inkomsten bij de bepaling van de integratietegemoetkoming. Deze vergoeding is een vergoeding voor de meerkosten van de inclusie die na evaluatie blijken en niet precies te begroten zijn. Wel roept het Centrum op om verdere inspanningen rond het vrijstellen van de eigen inkomsten bij de bepaling van de integratietegemoetkoming in eerste plaats te richten op hen die in armoede leven om op deze wijze tegemoet te komen aan de verwachtingen van het art. 28 van het verdrag.

Voetnoten

[1] Art 9ter van het K.B. betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming.

[2] Zie http://www.zorg-en-gezondheid.be/Beleid/Procedures/Residentiele-ouderenzorg/Erkenning-van-een-woonzorgcentrum/, geraadpleegd op 4 oktober 2012.

[3] Zie http://www.lesmaisonsderepos.be/mrdef.htm, geraadpleegd op 4 oktober 2012.