Het recht op inclusie van personen met een handicap is nu opgenomen in de Grondwet

1 april 2021
Actiedomein: Alle domeinen
Discriminatiegrond: Handicap

Na verschillende pogingen is er in deze legislatuur eindelijk een artikel ingevoegd in de Belgische Grondwet dat de rechten en vrijheden van personen met een handicap moet waarborgen. Voortaan bevat Titel II een artikel 22ter dat luidt: "Iedere persoon met een handicap heeft recht op volledige inclusie in de samenleving, met inbegrip van het recht op redelijke aanpassingen".

Unia is verheugd over de constitutionele verankering van het recht op inclusie en redelijke aanpassingen. Dit is een krachtige herinnering aan de verplichtingen van het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap en aan de antidiscriminatiewetgeving.

Goed gekozen termen

Hoewel aanvankelijk werd verwezen naar 'integratie', heeft de wetgever er uitdrukkelijk voor gekozen een artikel aan te nemen dat het recht op volledige "inclusie" van personen met een handicap waarborgt. Unia en de betrokken belangenverenigingen hadden hier immers voor gepleit tijdens hun hoorzitting door de Commissie institutionele zaken van de Senaat. Deze terminologie is inderdaad meer in overeenstemming met het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VN-Verdrag), dat België in 2009 ratificeerde.

Erkenning van het recht op integratie is niet voldoende, want dat houdt in dat de persoon met een handicap zich moet aanpassen aan een systeem dat als normaal wordt beschouwd, wil hij of zij aan het sociale leven kunnen deelnemen.Het VN-verdrag vereist daarom inclusie: dat impliceert dat het de samenleving is die zich moet aanpassen wanneer zij de persoon verhindert volledig en op voet van gelijkheid te participeren. De sociale dimensie van handicaps die in het VN-verdrag wordt benadrukt, wordt bovendien weerspiegeld in het begrip "personne en situation de handicap" in de Franse versie.

Blijvende discriminatie

Ondanks uitgebreide wettelijke bescherming ondervinden personen met een handicap nog steeds veel moeilijkheden in hun dagelijks leven en worden zij gediscrimineerd. Dit blijkt uit de laatste verslagen van Unia : "Bevraging van personen met een handicap over de naleving van hun rechten (2020)", "COVID en mensenrechten: impact op personen met een handicap en hun naasten (2020)". De wetgever heeft daarom besloten verder te gaan door deze bescherming een grondwettelijke verankering te geven en zijn internationale verbintenissen in het kader van het VN-Verdrag opnieuw te bevestigen.

Een belangrijke signaalfunctie

De opneming van een dergelijke bepaling in de Grondwet, de hoogste Belgische rechtsnorm, heeft een sterke symbolische waarde en een signaalfunctie die van groot belang is. Het is een nieuwe stap in het lange proces van erkenning van de grondrechten van personen met een handicap, maar het benadrukt vooral de plaats die nu wordt gegeven aan een groep die al te lang in de schaduw is gebleven. Hiermee wordt ook een sterk signaal gegeven dat de bindende rechten van het VN-verdrag niet langer genegeerd kunnen worden.

Maar ook juridische gevolgen

Het tweede deel van artikel 22ter ("De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ") legt positieve verplichtingen op aan de overheid. Elke wetgever moet, binnen zijn bevoegdheidsterrein, geleidelijk uitvoering geven aan het grondwettelijke recht op volledige inclusie van personen met een handicap. De wetgever wordt dus nadrukkelijk herinnerd aan de verplichtingen van het VN-verdrag: hij is verplicht wetten aan te nemen die structurele hervormingen doorvoeren om de belemmeringen voor de participatie van personen met een handicap weg te nemen.

Deze nieuwe bepaling biedt ook extra houvast voor de interpretatie van wetten in overeenstemming met het VN-verdrag. Wanneer normen voor meerdere interpretaties vatbaar zijn, moeten de rechters de interpretatie kiezen die in overeenstemming is met de Grondwet.

Bovendien wordt de controle versterkt op elke nieuwe norm die niet verenigbaar is met de fundamentele rechten op inclusie en redelijke aanpassingen. Het Grondwettelijk Hof kan in het kader van een vernietigingsberoep of via een prejudiciële vraag zonder meer nagaan of wetten en decreten in overeenstemming zijn met artikel 22ter. De andere hoven en rechtbanken kunnen besluiten bepaalde normen die onderaan de hiërarchie van wettelijke normen staan (b.v. een gemeentelijke regelgeving, een koninklijk besluit, enz.) niet toe te passen als zij van mening zijn dat deze in strijd zijn met de inclusie van personen met een handicap.

Ten slotte is aan dit nieuwe grondwettelijke recht de 'standstill-verplichting' verbonden. Ook al is het effect ervan niet absoluut, datbetekent dat de autoriteiten geen maatregelen kunnen nemen die afbreuk zouden doen aan de bestaande bescherming in de Grondwet.

Vergelijkbare artikels