Europees Comité voor Sociale Rechten, 17 maart 2026
Het Europees Comité voor Sociale Rechten acht de Belgische praktijk van gemeentelijke bedelverboden en -beperkingen strijdig met het recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluitingen en stelt indirecte discriminatie vast van onder meer personen uit de Roma-gemeenschap.
[Waarschuwing: deze uitspraak kan kwetsend taalgebruik bevatten.]
Fédération internationale pour les droits humains (FIDH) en Mouvement international ATD Quart Monde t. België
Feiten
Het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) onderzocht een collectieve klacht van de Fédération internationale pour les droits humains (FIDH) en het Mouvement international ATD Quart Monde tegen België. De organisaties voerden aan dat de vele gemeentelijke reglementen die bedelarij verbieden of beperken, strijdig zijn met het recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting. Zij wezen erop dat meer dan de helft van de Belgische gemeenten dergelijke reglementen had ingevoerd.
Daarnaast stelden zij dat deze reglementen personen in armoede, en in het bijzonder personen van Roma-afkomst, onevenredig treffen. Volgens de klacht versterken de maatregelen sociale uitsluiting en leiden zij tot indirecte discriminatie.
Beslissing
Het Comité oordeelde dat de gemeentelijke verboden en beperkingen op bedelarij strijdig zijn met artikel 30 van het Herziene Europees Sociaal Handvest (recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting).
Volgens het Comité verergeren deze maatregelen de precaire situatie van personen die in armoede leven, versterken zij de stigmatisering van deze groep en zijn zij niet noodzakelijk in een democratische samenleving.
Het Comité benadrukte dat bedelarij voor sommige personen een laatste middel van bestaan vormt.
Het Comité oordeelde daarnaast dat er geen effectieve beroepsmogelijkheid bestaat om de talrijke gemeentelijke reglementen aan te vechten. Hoewel een procedure bij de Raad van State mogelijk is, achtte het Comité die in de praktijk onvoldoende toegankelijk voor personen die in armoede leven en bedelen.
Verder stelde het Comité vast dat de gemeentelijke reglementen een onevenredige impact hebben op personen in armoede, waaronder personen uit Romagemeenschappen. Daarom besloot het Comité dat sprake is van indirecte discriminatie op grond van etnische afkomst en sociaaleconomische status in strijd met artikel E (non-discriminatie), gelezen samen met artikel 30 van het Herziene Europees Sociaal Handvest.
Aandachtspunten
- Economische motieven, zoals het weren van bedelaars uit toeristische zones of commerciële centra, kunnen volgens het Comité beperkingen van fundamentele sociale rechten niet rechtvaardigen.
- Het Comité aanvaardt dat agressieve of opdringerige vormen van bedelarij kunnen worden beperkt, maar enkel op basis van duidelijke en proportionele criteria.
- De uitspraak erkent indirecte discriminatie op grond van zowel etnische afkomst als sociaaleconomische status, wat binnen de Europese rechtspraak over sociale rechten bijzonder relevant is.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: ECSR, 17 maart 2026, FIDH en ATD Quart Monde t. België – Klacht nr. 233/2023.