Ga verder naar de inhoud

Analyse van de bepalingen van het nieuwe Strafwetboek over racisme en discriminatie (maart 2026)

In het nieuwe Strafwetboek dat op 1 september 2026 in werking treedt, werden de strafbepalingen uit de Antiracismewet, Antidiscriminatiewet en Genderwet samengebracht in een aparte afdeling over ‘misdrijven inzake de bestraffing van de discriminatie, de aanzetting tot haat en het negationisme’. Een aantal bepalingen werden daarbij aangepast en/of uitgebreid. Ook de strafbepalingen uit de Negationismewet en Seksismewet kwamen in deze afdeling terecht. De strafverzwaringen voor haatmisdrijven werden grondig hertekend in het nieuwe Strafwetboek. De strafbepalingen over conversiepraktijken sluiten daarbij aan.

In deze bijdrage analyseren we de bepalingen van het nieuwe Strafwetboek met betrekking tot racisme en discriminatie. Achtereenvolgens komen volgende misdrijven aan bod:

  1. Discriminatiemisdrijf
  2. Aanzettingsmisdrijf
  3. Verspreidingsverbod
  4. Verenigingsmisdrijf
  5. Negationismemisdrijf
  6. Seksismemisdrijf
  7. Algemene opmerking over de ‘misdrijven inzake de bestraffing van de discriminatie, de aanzetting tot haat en het negationisme’
  8. Haatmisdrijven
  9. Misdrijven met betrekking tot conversiepraktijken
  10. Besluit

1. Discriminatiemisdrijf

Destijds werd in de Antiracismewet, Antidiscriminatiewet en Genderwet discriminatie door ambtenaren strafbaar gesteld. Daarnaast werd (enkel) in de Antiracismewet en de Genderwet discriminatie bij de toegang tot goederen en diensten en binnen de arbeidsrelaties strafbaar gesteld. 

Deze bepalingen werden overgebracht naar het nieuwe Strafwetboek en uitgebreid. Discriminatie bij de toegang tot goederen en diensten en binnen de arbeidsrelaties is voortaan ook strafbaar voor wat betreft de beschermde kenmerken uit de Antidiscriminatiewet.

Openen Sluiten 1.1 Definitie van discriminatie

Openen Sluiten 1.2 Beschermde criteria

Openen Sluiten 1.3 Discriminatie door een persoon met een openbare functie

Openen Sluiten 1.4 Discriminatie bij de toegang tot goederen en diensten

Openen Sluiten 1.5 Discriminatie binnen de arbeidsrelaties

2. Aanzettingsmisdrijf

[Zie ook: Analyse van rechtspraak over strafbare racistische haatspraak op sociale media]

[Zie ook: Analyse van rechtspraak over racistische en andere haatdragende uitlatingen op het werk]

Het aanzettingsmisdrijf uit de Antiracismewet, Antidiscriminatiewet en Genderwet werd hernomen in artikel 250 Sw.  Met een straf van niveau 2 worden de volgende gedragingen, indien ze ‘in het openbaar‘ worden gepleegd, bestraft:

  • Aanzetten tot discriminatie jegens een persoon op grond van één of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249 Sw.
  • Aanzetten tot haat of geweld jegens een persoon op grond van één of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249 Sw.
  • Aanzetten tot discriminatie of segregatie jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan op grond van één of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249 Sw.
  • Aanzetten tot haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan op grond van één of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249 Sw. 

[De term ‘in het openbaar’ wordt omschreven in art. 79, 22° Sw.]

[De straffen van niveau 2 worden omschreven in artikel 36 Sw. (natuurlijke personen) en artikel 38 Sw. (rechtspersonen)]

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat er bij het aanzettingsmisdrijf sprake moet zijn van een bijzonder opzet: “Door de vereiste dat er sprake moet zijn van een bijzondere wil aan te zetten tot discriminatie, segregatie, haat of geweld, wordt uitgesloten dat, indien er geen sprake is van zulk een aanzetten, het verspreiden van pamfletten strafbaar zou kunnen worden gesteld, hetzelfde moet gelden voor grappen, spottende uitlatingen, meningen en elke uiting die, bij gebrek aan het vereiste bijzonder opzet, behoort tot de vrijheid van meningsuiting” (GwH 12 februari 2009, 17/2009, overw. B.67.4).

Het aanzettingsmisdrijf moet onderscheiden worden van het beledigingsmisdrijf. Artikel 244 Sw. bestraft het met kwaadwillig opzet en met welk middel ook in het openbaar beledigen van een bepaald persoon. Een belediging moet dus gericht zijn op een bepaald persoon. Mondelinge beledigingen vallen hier niet onder. Het beledigingsmisdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1. 

In tegenstelling tot het oude Strafwetboek wordt geen onderscheid meer gemaakt naargelang de hoedanigheid van de persoon: verbale beledigingen worden gedepenaliseerd ongeacht de geviseerde persoon. Maar wanneer er sprake is van verbale beledigingen met een repetitief karakter, dan kan er sprake zijn van belaging. Seksistische beledigingen - ook verbale - zijn strafbaar op grond van artikel 257 Sw. Ten slotte is smaad door daden, woorden, gebaren of bedreigingen, bijvoorbeeld tegenover een persoon met een openbare functie, strafbaar op grond van artikel 247 Sw. 

3. Verspreidingsverbod

Het verspreidingsverbod uit de Antiracismewet werd hernomen in artikel 251 Sw. Met een straf van niveau 2 wordt bestraft het ‘in het openbaar’ verspreiden van denkbeelden gegrond op rassenhaat of rassuperioriteit. 

[De term ‘in het openbaar’ wordt omschreven in art. 79, 22° Sw.]

[De straffen van niveau 2 worden omschreven in artikel 36 Sw. (natuurlijke personen) en artikel 38 Sw. (rechtspersonen)]

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat er bij het verspreidingsverbod sprake moet zijn van een bijzonder opzet: “Dat specifieke morele element, dat is vervat in de woorden ‘verspreiden’, ‘rassenhaat’ en ‘rassuperioriteit’ betreft meer bepaald de wil om denkbeelden te verspreiden met het oog op het aanwakkeren van haat ten aanzien van een groep van mensen of met het oog op de totstandkoming van een voor hen discriminerend of op segregatie gericht beleid. De uitingen moeten derhalve een minachtende of haatdragende strekking hebben, hetgeen uitingen van wetenschap en kunst buiten het verbod plaatst, en zij moeten de fundamentele minderwaardigheid van een groep uitdrukken” (GwH 12 februari 2009, 17/2009, overw. B.74.5).

4. Verenigingsmisdrijf

Het verenigingsmisdrijf uit de Antiracismewet werd hernomen in artikel 252 Sw. Bovendien werd het uitgebreid tot alle beschermde criteria uit artikel 249 Sw. Voortaan is de strafbepaling dus ook van toepassing op groeperingen of verenigingen die bijvoorbeeld vrouwen, LGBTI+-personen of religieuze gemeenschappen discrimineren of segregeren. 

Het verenigingsmisdrijf is een autonoom misdrijf. Het is niet vereist dat de groepering of vereniging zelf wordt vervolgd (wat overigens niet mogelijk zou zijn wanneer het niet om een rechtspersoon gaat). 

Met een straf van niveau 2 wordt bestraft het behoren tot een groepering of vereniging, dan wel er medewerking aan verlenen, terwijl die groepering of vereniging kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt ‘in het openbaar’ op grond van één of meer beschermde criteria uit artikel 249 Sw. 

[De term ‘in het openbaar’ wordt omschreven in art. 79, 22° Sw.]

[De straffen van niveau 2 worden omschreven in artikel 36 Sw. (natuurlijke personen) en artikel 38 Sw. (rechtspersonen)]

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat er bij het verenigingsmisdrijf sprake moet zijn van een bijzonder opzet in hoofde van de groepering of vereniging, nl. de groepering of vereniging moet strafbaar zijn wegens het aanzetten tot discriminatie of segregatie en daarbij blijk geven van een bijzonder opzet (GwH 12 februari 2009, 17/2009, overw. B.79.5). Wat de beklaagde betreft oordeelde het Grondwettelijk Hof: “De bepaling vereist niet dat de beklaagde zelf kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt opdat hij strafbaar zou zijn. Het volstaat dat hij ‘wetens en willens’ behoort tot of zijn medewerking verleent aan de desbetreffende groepering of vereniging. Door het gebruik van de woorden ‘kennelijk en herhaaldelijk’ vereist de bepaling wel dat het voor de persoon die behoort tot of zijn medewerking verleent aan de bedoelde groepering of vereniging zonder meer duidelijk is dat die groepering of verenging discriminatie of segregatie (…) verkondigt” (GwH 12 februari 2009, 17/2009, overw. B.82.7).

5. Negationismemisdrijf

Het nieuwe Strafwetboek bevat 2 bepalingen met betrekking tot negationisme. De eerste bepaling werd overgenomen uit de Negationismewet en heeft betrekking op de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gepleegd door het Duitse nationaalsocialistische regime (art. 256 Sw.). De tweede bepaling werd overgenomen uit de Antiracismewet en heeft betrekking op (andere) genocides die werden vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht (art. 250, 5° Sw.).

Openen Sluiten 5.1 Genocide gepleegd tijdens de Tweede Wereldoorlog

Openen Sluiten 5.2 Bepaalde andere genocides

6. Seksismemisdrijf

De strafbepaling uit de Seksismewet werd hernomen in artikel 257 Sw. en bestraft met een straf van niveau 2. Het betreft: “Het ‘in het openbaar’ aannemen van elk gebaar of handeling die klaarblijkelijk bedoeld is om minachting uit te drukken jegens een persoon wegens zijn geslacht, of deze, om dezelfde reden, als minderwaardig te beschouwen of te reduceren tot diens geslachtelijke dimensie, en die een ernstige aantasting van de waardigheid van deze persoon tot gevolg heeft.”

[De term ‘in het openbaar’ wordt omschreven in art. 79, 22° Sw.]

[De straffen van niveau 2 worden omschreven in artikel 36 Sw. (natuurlijke personen) en artikel 38 Sw. (rechtspersonen)]

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat er bij het seksismemisdrijf sprake moet zijn van een bijzonder opzet: “De combinatie van de bewoordingen van die bepaling geeft aan dat zij de intentie vereist om ‘misprijzen’ uit te drukken jegens een persoon of deze als minderwaardig te beschouwen in de wetenschap dat het gebaar of de handeling kan leiden tot een aantasting van de waardigheid van die persoon. Bovendien moet dat gebaar of die handeling, om strafbaar te zijn, daadwerkelijk zulk een ernstige aantasting tot gevolg hebben gehad. Het mag dus niet gaan om een misdrijf waarvan het bestaan zou worden aangenomen vanaf het ogenblik dat de materiële elementen ervan aanwezig zijn.” (GwH 25 mei 2016, 72/2016, overw. B.23.2). Het Hof van Cassatie oordeelde dat er sprake moet zijn van een algemeen opzet (Cass. 8 juni 2022, P.22.0306.F).

7. Algemene opmerking over de ‘misdrijven inzake de bestraffing van de discriminatie, de aanzetting tot haat en het negationisme’

De bepalingen over het discriminatiemisdrijf, aanzettingsmisdrijf, verspreidingsverbod, verenigingsmisdrijf, negationismemisdrijf en seksismemisdrijf werden ondergebracht in een aparte afdeling over ‘misdrijven inzake de bestraffing van de discriminatie, de aanzetting tot haat en het negationisme’. Deze afdeling staat in hoofdstuk 7 van het nieuwe Strafwetboek. Op dit hoofdstuk zijn 2 gemeenschappelijke bepalingen van toepassing.

Openen Sluiten 7.1 Sluiting van de inrichting

Openen Sluiten 7.2 Specifieke verboden

8. Haatmisdrijven

De strafverzwaringen voor haatmisdrijven werden grondig hertekend. Ze staan verspreid over Boek I en Boek II van het nieuwe Strafwetboek. Het haatmotief van de dader – de ‘discriminerende drijfveer’ – kan een verzwarende factor zijn of (in een beperkt aantal gevallen) een verzwarend bestanddeel

Openen Sluiten 8.1 Discriminerende drijfveer

Openen Sluiten 8.2 Beschermde criteria

Openen Sluiten 8.3 Verzwarende factor

Openen Sluiten 8.4 Verzwarend bestanddeel

9. Misdrijven met betrekking tot conversiepraktijken

De bepalingen over conversiepraktijken werden hernomen in de artikelen 310-316 Sw.

Openen Sluiten 9.1 Definitie van conversiepraktijken

Openen Sluiten 9.2 Bestraffing van conversiepraktijken

Openen Sluiten 9.3 Specifiek verbod

Besluit

Voortaan zijn de strafbepalingen met betrekking tot racisme en discriminatie gegroepeerd terug te vinden in het nieuwe Strafwetboek. Enkel de strafbepalingen met betrekking tot het zich niet voegen naar een vonnis of arrest dat werd gewezen als gevolg van een stakingsvordering bleven nog behouden in de Antiracismewet, Antidiscriminatiewet en de Genderwet. 

Eén en ander betekent evenwel niet dat de oude strafbepalingen niet meer kunnen worden toegepast. Er moet immers rekening worden gehouden met de regels over de toepassing van de strafwet in de tijd uit artikel 2 Sw.: “Niemand kan worden bestraft voor een handelen of nalaten dat niet bij wet strafbaar was ten tijde van dat handelen of nalaten.  Evenmin kan een zwaardere hoofd- of bijkomende straf worden opgelegd dan die waarin ten tijde van het plegen van het misdrijf bij wet was voorzien. In geval van wijziging van de strafwet na het plegen van het misdrijf gelden de voor de dader meest gunstige bepalingen.” Deze overgangsbepaling houdt in dat een mildere strafwet retroactief moet worden toegepast, in tegenstelling tot een zwaardere strafwet die niet retroactief mag worden toegepast. 

De bepalingen over discriminatie bij de toegang tot goederen en diensten en binnen de arbeidsrelaties zijn voortaan van toepassing op alle beschermde criteria. Ook het verenigingsmisdrijf is voortaan van toepassing op alle beschermde criteria (in tegenstelling tot het verspreidingsverbod dat nog steeds beperkt blijft tot denkbeelden gegrond op rassenhaat of rassuperioriteit).

In een aantal gevallen werd in het nieuwe Strafwetboek expliciet verwezen naar een ‘algemeen opzet’ (door het gebruik van de term ‘opzettelijk’). Wanneer dat niet het geval is, dan kan de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof over het vereiste opzet als richtinggevend worden beschouwd.

Wat de haatmisdrijven betreft verdwijnt de drieledige indeling uit het oude Strafwetboek in (1) verplichte strafverzwaringen (bijv. voor slagen en verwondingen), (2) facultatieve strafverzwaringen (bijv. voor schuldig verzuim) en (3) het in overweging nemen van de verzwarende factor bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan. Voortaan vormt de discriminerende drijfveer een verzwarende factor, behoudens in die (beperkte) gevallen waarin de wet van de discriminerende drijfveer een (verplicht) verzwarend bestanddeel heeft gemaakt. Voor een hele reeks misdrijven (bijv. schuldig verzuim en beschadigingsmisdrijven) is er voortaan enkel nog sprake van het in overweging nemen van de discriminerende drijfveer bij de keuze van de straf of de maatregel.

Analyse van de rechtspraak in printversie

Lees je de analyse liever in pdf-formaat? Dat kan!

Nieuw Straf­wet­boek (in­wer­king­tre­ding op 1 september 2026)

Vanaf 1 september 2026 is het nieuwe Strafwetboek van kracht. Ontdek de nieuwe bepalingen over discriminatie, negationisme en haatspraak.

Persbericht

[Opinie] Het nieuwe straf­wet­boek: stof tot nadenken

22 maart 2024

België heeft een nieuw strafwetboek goedgekeurd. Iedereen is het erover eens dat dit zowel noodzakelijk en uitdagend was. Deze prestatie is toe te schrijven aan experts, opeenvolgende ministers van Justitie en parlementsleden. Het toont aan dat ingrijpende hervormingen nog altijd mogelijk zijn in België.

Advies of aanbeveling

Aan­be­ve­lin­gen en opmerkingen bij de wets­ont­wer­pen voor het nieuwe Straf­wet­boek (boek I en II)

31 oktober 2023

Unia formuleert aanbevelingen en opmerkingen over de wetsontwerpen van boek I en van boek II van het nieuwe Strafwetboek. Ontdek meer.