Analyse van de bepalingen van het nieuwe Strafwetboek over racisme en discriminatie (maart 2026)
In het nieuwe Strafwetboek dat op 1 september 2026 in werking treedt, werden de strafbepalingen uit de Antiracismewet, Antidiscriminatiewet en Genderwet samengebracht in een aparte afdeling over ‘misdrijven inzake de bestraffing van de discriminatie, de aanzetting tot haat en het negationisme’. Een aantal bepalingen werden daarbij aangepast en/of uitgebreid. Ook de strafbepalingen uit de Negationismewet en Seksismewet kwamen in deze afdeling terecht. De strafverzwaringen voor haatmisdrijven werden grondig hertekend in het nieuwe Strafwetboek. De strafbepalingen over conversiepraktijken sluiten daarbij aan.
In deze bijdrage analyseren we de bepalingen van het nieuwe Strafwetboek met betrekking tot racisme en discriminatie. Achtereenvolgens komen volgende misdrijven aan bod:
- Discriminatiemisdrijf
- Aanzettingsmisdrijf
- Verspreidingsverbod
- Verenigingsmisdrijf
- Negationismemisdrijf
- Seksismemisdrijf
- Algemene opmerking over de ‘misdrijven inzake de bestraffing van de discriminatie, de aanzetting tot haat en het negationisme’
- Haatmisdrijven
- Misdrijven met betrekking tot conversiepraktijken
- Besluit
1. Discriminatiemisdrijf
Destijds werd in de Antiracismewet, Antidiscriminatiewet en Genderwet discriminatie door ambtenaren strafbaar gesteld. Daarnaast werd (enkel) in de Antiracismewet en de Genderwet discriminatie bij de toegang tot goederen en diensten en binnen de arbeidsrelaties strafbaar gesteld.
Deze bepalingen werden overgebracht naar het nieuwe Strafwetboek en uitgebreid. Discriminatie bij de toegang tot goederen en diensten en binnen de arbeidsrelaties is voortaan ook strafbaar voor wat betreft de beschermde kenmerken uit de Antidiscriminatiewet.
Openen 1.1 Definitie van discriminatie
In het nieuwe Strafwetboek wordt discriminatie gedefinieerd als: “Elke vorm van directe opzettelijke discriminatie, indirecte opzettelijke discriminatie, opdracht tot discriminatie, intimidatie of seksuele intimidatie op grond van één of meer beschermde criteria, alsook de weigering om redelijke aanpassingen te treffen ten voordele van een persoon met een handicap” (art. 249 Sw.).
De term ‘opzettelijk’ verwijst naar een algemeen opzet.
[Het algemeen opzet wordt omschreven in artikel 7, § 2 Sw.]
Openen 1.2 Beschermde criteria
De beschermde criteria, voor wat betreft de strafbepalingen uit de afdeling over ‘misdrijven inzake de bestraffing van de discriminatie, de aanzetting tot haat en het negationisme’, zijn: zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, moederschap, gezinsverantwoordelijkheden, medische of sociale transitie, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele oriëntatie, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap en sociale afkomst of toestand (art. 249 Sw.).
Een beschermd criterium kan werkelijk zijn of vermeend, eigen zijn of bij associatie toegekend en alleenstaand zijn of worden gecombineerd met één of meer beschermde criteria (art. 249 Sw.).
Openen 1.3 Discriminatie door een persoon met een openbare functie
[Zie ook: Analyse van de rechtspraak over discriminatie door personen met een openbare functie]
Discriminatie gepleegd door een persoon die een openbare functie uitoefent is het plegen van een discriminatie door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden ervan op grond van één of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249 Sw. Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2 (art. 253, § 1 Sw.).
[De straffen van niveau 2 worden omschreven in artikel 36 Sw. (natuurlijke personen) en artikel 38 Sw. (rechtspersonen)]
Artikel 79, 5° Sw. definieert het begrip ‘persoon met een openbare functie’:
- Het betreft in de eerste plaats iedere persoon die op basis van een wet, decreet of ordonnantie, een besluit of een rechterlijke beslissing de opdracht heeft om de openbare orde te handhaven of de naleving van bepaalde normen of beslissingen van een overheidsorgaan te controleren of af te dwingen. Hiermee worden onder meer bedoeld: politieambtenaren, veld- en boswachters, belastinginspecteurs, milieu-inspecteurs, GAS-ambtenaren, bewakingsagenten in de zin van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, stewards in de zin van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, penitentiaire beambten en ambtenaren van internationale organisaties aan wie België conform artikel 34 Grondwet bepaalde machten heeft overgedragen.
- Daarnaast betreft het iedere persoon die een openbare dienst of opdracht uitoefent waarbij zijn handelingen zijn bepaald en gereglementeerd door een wet, decreet of ordonnantie, een besluit of een rechterlijke beslissing. Hiermee worden onder meer bedoeld: militairen, ministeriële ambtenaren (zoals notarissen, deurwaarders en advocaten bij het Hof van Cassatie), gerechtsdeskundigen, gemeenteraadsleden, Belgische diplomaten en faillissementscuratoren.
Openen 1.4 Discriminatie bij de toegang tot goederen en diensten
Het bij de toegang tot goederen of diensten en het aanbod van goederen of diensten, die publiekelijk beschikbaar zijn, plegen van discriminatie jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden ervan op grond van één of meer beschermde criteria wordt bestraft met een straf van niveau 2 (art. 254 Sw.).
[De straffen van niveau 2 worden omschreven in artikel 36 Sw. (natuurlijke personen) en artikel 38 Sw. (rechtspersonen)]
Deze bepaling heeft niet langer alleen maar betrekking op de beschermde criteria uit de Antiracismewet en Genderwet, maar op alle beschermde criteria uit artikel 249 Sw. Daarnaast werd nog een tweede belangrijke uitbreiding ingevoerd. In de Antiracismewet en de Genderwet stond immers dat deze strafbepaling van toepassing was op de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn “met uitzondering van de aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Gemeenschappen of de Gewesten vallen”. Die uitzondering is weggevallen in het nieuwe Strafwetboek.
Openen 1.5 Discriminatie binnen de arbeidsrelaties
Het binnen de arbeidsrelaties plegen van discriminatie jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden ervan op grond van één of meer beschermde criteria wordt bestraft met een straf van niveau 2 (art. 255 Sw.).
[De straffen van niveau 2 worden omschreven in artikel 36 Sw. (natuurlijke personen) en artikel 38 Sw. (rechtspersonen)]
Ook deze bepaling heeft niet langer alleen maar betrekking op de beschermde criteria uit de Antiracismewet en Genderwet, maar op alle beschermde criteria uit artikel 249 Sw. Daarnaast is ook de beperking tot “de aangelegenheden die onder de bevoegdheden van de Gemeenschappen en Gewesten vallen” weggevallen in het nieuwe Strafwetboek.
In de Antiracismewet en de Genderwet staat dat de Welzijnswet van toepassing is in geval van (seksuele) intimidatie in het kader van de arbeidsbetrekkingen, behalve wat de represaillebescherming betreft (art. 6 ADW en 7 Genderwet). Ook deze beperking is weggevallen in het nieuwe Strafwetboek.
2. Aanzettingsmisdrijf
[Zie ook: Analyse van rechtspraak over strafbare racistische haatspraak op sociale media]
[Zie ook: Analyse van rechtspraak over racistische en andere haatdragende uitlatingen op het werk]
Het aanzettingsmisdrijf uit de Antiracismewet, Antidiscriminatiewet en Genderwet werd hernomen in artikel 250 Sw. Met een straf van niveau 2 worden de volgende gedragingen, indien ze ‘in het openbaar‘ worden gepleegd, bestraft:
- Aanzetten tot discriminatie jegens een persoon op grond van één of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249 Sw.
- Aanzetten tot haat of geweld jegens een persoon op grond van één of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249 Sw.
- Aanzetten tot discriminatie of segregatie jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan op grond van één of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249 Sw.
- Aanzetten tot haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan op grond van één of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249 Sw.
[De term ‘in het openbaar’ wordt omschreven in art. 79, 22° Sw.]
[De straffen van niveau 2 worden omschreven in artikel 36 Sw. (natuurlijke personen) en artikel 38 Sw. (rechtspersonen)]
Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat er bij het aanzettingsmisdrijf sprake moet zijn van een bijzonder opzet: “Door de vereiste dat er sprake moet zijn van een bijzondere wil aan te zetten tot discriminatie, segregatie, haat of geweld, wordt uitgesloten dat, indien er geen sprake is van zulk een aanzetten, het verspreiden van pamfletten strafbaar zou kunnen worden gesteld, hetzelfde moet gelden voor grappen, spottende uitlatingen, meningen en elke uiting die, bij gebrek aan het vereiste bijzonder opzet, behoort tot de vrijheid van meningsuiting” (GwH 12 februari 2009, 17/2009, overw. B.67.4).
Het aanzettingsmisdrijf moet onderscheiden worden van het beledigingsmisdrijf. Artikel 244 Sw. bestraft het met kwaadwillig opzet en met welk middel ook in het openbaar beledigen van een bepaald persoon. Een belediging moet dus gericht zijn op een bepaald persoon. Mondelinge beledigingen vallen hier niet onder. Het beledigingsmisdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
In tegenstelling tot het oude Strafwetboek wordt geen onderscheid meer gemaakt naargelang de hoedanigheid van de persoon: verbale beledigingen worden gedepenaliseerd ongeacht de geviseerde persoon. Maar wanneer er sprake is van verbale beledigingen met een repetitief karakter, dan kan er sprake zijn van belaging. Seksistische beledigingen - ook verbale - zijn strafbaar op grond van artikel 257 Sw. Ten slotte is smaad door daden, woorden, gebaren of bedreigingen, bijvoorbeeld tegenover een persoon met een openbare functie, strafbaar op grond van artikel 247 Sw.
3. Verspreidingsverbod
Het verspreidingsverbod uit de Antiracismewet werd hernomen in artikel 251 Sw. Met een straf van niveau 2 wordt bestraft het ‘in het openbaar’ verspreiden van denkbeelden gegrond op rassenhaat of rassuperioriteit.
[De term ‘in het openbaar’ wordt omschreven in art. 79, 22° Sw.]
[De straffen van niveau 2 worden omschreven in artikel 36 Sw. (natuurlijke personen) en artikel 38 Sw. (rechtspersonen)]
Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat er bij het verspreidingsverbod sprake moet zijn van een bijzonder opzet: “Dat specifieke morele element, dat is vervat in de woorden ‘verspreiden’, ‘rassenhaat’ en ‘rassuperioriteit’ betreft meer bepaald de wil om denkbeelden te verspreiden met het oog op het aanwakkeren van haat ten aanzien van een groep van mensen of met het oog op de totstandkoming van een voor hen discriminerend of op segregatie gericht beleid. De uitingen moeten derhalve een minachtende of haatdragende strekking hebben, hetgeen uitingen van wetenschap en kunst buiten het verbod plaatst, en zij moeten de fundamentele minderwaardigheid van een groep uitdrukken” (GwH 12 februari 2009, 17/2009, overw. B.74.5).
4. Verenigingsmisdrijf
Het verenigingsmisdrijf uit de Antiracismewet werd hernomen in artikel 252 Sw. Bovendien werd het uitgebreid tot alle beschermde criteria uit artikel 249 Sw. Voortaan is de strafbepaling dus ook van toepassing op groeperingen of verenigingen die bijvoorbeeld vrouwen, LGBTI+-personen of religieuze gemeenschappen discrimineren of segregeren.
Het verenigingsmisdrijf is een autonoom misdrijf. Het is niet vereist dat de groepering of vereniging zelf wordt vervolgd (wat overigens niet mogelijk zou zijn wanneer het niet om een rechtspersoon gaat).
Met een straf van niveau 2 wordt bestraft het behoren tot een groepering of vereniging, dan wel er medewerking aan verlenen, terwijl die groepering of vereniging kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt ‘in het openbaar’ op grond van één of meer beschermde criteria uit artikel 249 Sw.
[De term ‘in het openbaar’ wordt omschreven in art. 79, 22° Sw.]
[De straffen van niveau 2 worden omschreven in artikel 36 Sw. (natuurlijke personen) en artikel 38 Sw. (rechtspersonen)]
Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat er bij het verenigingsmisdrijf sprake moet zijn van een bijzonder opzet in hoofde van de groepering of vereniging, nl. de groepering of vereniging moet strafbaar zijn wegens het aanzetten tot discriminatie of segregatie en daarbij blijk geven van een bijzonder opzet (GwH 12 februari 2009, 17/2009, overw. B.79.5). Wat de beklaagde betreft oordeelde het Grondwettelijk Hof: “De bepaling vereist niet dat de beklaagde zelf kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt opdat hij strafbaar zou zijn. Het volstaat dat hij ‘wetens en willens’ behoort tot of zijn medewerking verleent aan de desbetreffende groepering of vereniging. Door het gebruik van de woorden ‘kennelijk en herhaaldelijk’ vereist de bepaling wel dat het voor de persoon die behoort tot of zijn medewerking verleent aan de bedoelde groepering of vereniging zonder meer duidelijk is dat die groepering of verenging discriminatie of segregatie (…) verkondigt” (GwH 12 februari 2009, 17/2009, overw. B.82.7).
5. Negationismemisdrijf
Het nieuwe Strafwetboek bevat 2 bepalingen met betrekking tot negationisme. De eerste bepaling werd overgenomen uit de Negationismewet en heeft betrekking op de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gepleegd door het Duitse nationaalsocialistische regime (art. 256 Sw.). De tweede bepaling werd overgenomen uit de Antiracismewet en heeft betrekking op (andere) genocides die werden vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht (art. 250, 5° Sw.).
Openen 5.1 Genocide gepleegd tijdens de Tweede Wereldoorlog
[Zie ook: Analyse van de rechtspraak over negationisme]
De strafbepaling uit de Negationismewet werd hernomen in artikel 256 Sw. Het ‘in het openbaar’ ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaalsocialistische regime is gepleegd, wordt bestraft met een straf van niveau 2.
[De term ‘in het openbaar’ wordt omschreven in art. 79, 22° Sw.]
[De straffen van niveau 2 worden omschreven in artikel 36 Sw. (natuurlijke personen) en artikel 38 Sw. (rechtspersonen)]
De rechter kan, zoals dat ook al het geval was in de Negationismewet, de bekendmaking van de beslissing bevelen overeenkomstig artikel 58 Sw. (art. 256 Sw.).
De wetgever gaat bij het negationismemisdrijf uit van een algemeen opzet, om bewijsmoeilijkheden te voorkomen. Het Grondwettelijk Hof preciseerde het vereiste opzet als volgt: “De door de wet strafbaar gestelde handelingen hebben met elkaar gemeen dat zij nauwelijks kunnen worden geacht te worden gesteld zonder, zij het onrechtstreeks, een misdadige en de democratie vijandig gezinde ideologie in ere te willen herstellen en daarbij één of verschillende categorieën mensen ernstig te willen beledigen. De wet vermeldt dergelijke bedoelingen niet als een wezenlijk bestanddeel van het misdrijf dat zij invoert, maar uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever daarvan alleen heeft afgezien omdat het uiterst moeilijk is dergelijke bedoelingen te bewijzen – hetgeen blijkt uit diverse ervaringen in België en in het buitenland – met name omdat dikwijls schijnbaar wetenschappelijke uitdrukkingswijzen worden gehanteerd. De rechter behoudt niettemin een beoordelingsvrijheid. De rechter vermag uit bijzondere omstandigheden de afwezigheid, in concreto, van de voormelde bedoeling af te leiden” (GwH 12 juli 1996, 45/96, overw. B.7.10).
Openen 5.2 Bepaalde andere genocides
De bepaling uit de Antiracismewet over bepaalde andere genocides werd hernomen in artikel 250, 5° Sw. en bestraft met een straf van niveau 2. Het betreft: “Feiten overeenstemmend met een misdaad van genocide bedoeld in artikel 82, een misdaad tegen de mensheid bedoeld in artikel 83 of een oorlogsmisdaad bedoeld in artikelen 84 tot 88, en als dusdanig vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht, ‘in het openbaar’ ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren, wetende of verondersteld zijnde te weten dat dit gedrag hetzij een persoon, hetzij een groep, een gemeenschap of leden ervan zou kunnen blootstellen aan discriminatie, haat of geweld wegens één of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249 Sw., of godsdienst, in de zin van artikel 1, § 3, van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht.”
[De term ‘in het openbaar’ wordt omschreven in art. 79, 22° Sw.]
[De straffen van niveau 2 worden omschreven in artikel 36 Sw. (natuurlijke personen) en artikel 38 Sw. (rechtspersonen)]
Het bijzonder opzet blijkt uit de strafbepaling. De beklaagde moet ‘weten’ of ‘verondersteld zijnde te weten’ dat het gedrag hetzij een persoon, hetzij een groep, een gemeenschap of leden ervan zou kunnen blootstellen aan discriminatie, haat of geweld wegens één of meer beschermde criteria.
6. Seksismemisdrijf
De strafbepaling uit de Seksismewet werd hernomen in artikel 257 Sw. en bestraft met een straf van niveau 2. Het betreft: “Het ‘in het openbaar’ aannemen van elk gebaar of handeling die klaarblijkelijk bedoeld is om minachting uit te drukken jegens een persoon wegens zijn geslacht, of deze, om dezelfde reden, als minderwaardig te beschouwen of te reduceren tot diens geslachtelijke dimensie, en die een ernstige aantasting van de waardigheid van deze persoon tot gevolg heeft.”
[De term ‘in het openbaar’ wordt omschreven in art. 79, 22° Sw.]
[De straffen van niveau 2 worden omschreven in artikel 36 Sw. (natuurlijke personen) en artikel 38 Sw. (rechtspersonen)]
Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat er bij het seksismemisdrijf sprake moet zijn van een bijzonder opzet: “De combinatie van de bewoordingen van die bepaling geeft aan dat zij de intentie vereist om ‘misprijzen’ uit te drukken jegens een persoon of deze als minderwaardig te beschouwen in de wetenschap dat het gebaar of de handeling kan leiden tot een aantasting van de waardigheid van die persoon. Bovendien moet dat gebaar of die handeling, om strafbaar te zijn, daadwerkelijk zulk een ernstige aantasting tot gevolg hebben gehad. Het mag dus niet gaan om een misdrijf waarvan het bestaan zou worden aangenomen vanaf het ogenblik dat de materiële elementen ervan aanwezig zijn.” (GwH 25 mei 2016, 72/2016, overw. B.23.2). Het Hof van Cassatie oordeelde dat er sprake moet zijn van een algemeen opzet (Cass. 8 juni 2022, P.22.0306.F).
7. Algemene opmerking over de ‘misdrijven inzake de bestraffing van de discriminatie, de aanzetting tot haat en het negationisme’
De bepalingen over het discriminatiemisdrijf, aanzettingsmisdrijf, verspreidingsverbod, verenigingsmisdrijf, negationismemisdrijf en seksismemisdrijf werden ondergebracht in een aparte afdeling over ‘misdrijven inzake de bestraffing van de discriminatie, de aanzetting tot haat en het negationisme’. Deze afdeling staat in hoofdstuk 7 van het nieuwe Strafwetboek. Op dit hoofdstuk zijn 2 gemeenschappelijke bepalingen van toepassing.
Openen 7.1 Sluiting van de inrichting
Artikel 297 Sw. bepaalt dat de rechter, in geval van veroordeling wegens een in hoofdstuk 7 omschreven misdrijf, de gehele of gedeeltelijke sluiting kan bevelen van de inrichting waarin het misdrijf werd gepleegd. Deze sluiting kan definitief zijn of betrekking hebben op een termijn van 1 maand tot 3 jaar.
In afwijking van artikel 59 Sw. kan de sluiting worden bevolen zonder rekening te houden met de hoedanigheid van de natuurlijke persoon of rechtspersoon als uitbater, eigenaar, huurder of zaakvoerder. Wanneer de veroordeelde niet de uitbater, eigenaar, huurder of zaakvoerder van de inrichting is, kan de sluiting enkel worden bevolen indien de ernst van de concrete omstandigheden zulks vereist en na de uitbater, eigenaar, huurder of zaakvoerder van de inrichting te hebben gehoord en dit definitief of voor een periode van ten hoogste 2 jaar.
Openen 7.2 Specifieke verboden
Artikel 298 Sw. bepaalt dat de rechter, in de in hoofdstuk 7 omschreven gevallen, de veroordeelde kan verbieden tijdelijk of levenslang, rechtstreeks of onrechtstreeks een rusthuis, een home, een bejaardenverblijf of elke andere structuur voor gemeenschappelijk verblijf van personen in een kwetsbare toestand uit te baten, of als vrijwilliger, contractueel of statutair personeelslid dan wel als lid van de bestuurs- en beheersorganen deel uit te maken van enige instelling of vereniging waarvan de hoofdactiviteit gericht is op personen in een kwetsbare toestand.
Onverminderd andere wettelijke bepalingen, kan de rechter in de in hoofdstuk 7 omschreven gevallen wegens feiten gepleegd op een minderjarige of met zijn deelneming, het verbod uitspreken om, voor een termijn van 1 jaar tot 20 jaar:
- in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan onderwijs in een openbare of particuliere instelling die minderjarigen opvangt;
- als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, deel uit te maken van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging waarvan de activiteit in hoofdzaak op minderjarigen gericht is;
- als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging, een activiteit toegewezen te krijgen die de veroordeelde in een vertrouwens- of een gezagsrelatie tegenover minderjarigen plaatst.
8. Haatmisdrijven
De strafverzwaringen voor haatmisdrijven werden grondig hertekend. Ze staan verspreid over Boek I en Boek II van het nieuwe Strafwetboek. Het haatmotief van de dader – de ‘discriminerende drijfveer’ – kan een verzwarende factor zijn of (in een beperkt aantal gevallen) een verzwarend bestanddeel.
Openen 8.1 Discriminerende drijfveer
Een misdrijf wordt geacht te zijn gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer wanneer één van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens één of meer beschermd criteria (zie 8.2), ongeacht of dit criterium daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader (art. 29 Sw.).
Hetzelfde geldt wanneer één van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens één of meer werkelijke of vermeende beschermde criteria (art. 29 Sw.).
Openen 8.2 Beschermde criteria
De beschermde criteria, voor wat betreft de misdrijven gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer, zijn: zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, moederschap, gezinsverantwoordelijkheden, medische of sociale transitie, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele oriëntatie, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap en sociale afkomst en positie (art. 29 Sw.).
Openen 8.3 Verzwarende factor
Een verzwarende factor moet de rechter in overweging nemen wanneer hij de straf of de maatregel en de zwaarte ervan kiest, zonder dat hij een straf van een hoger niveau mag opleggen (art. 28 Sw.).
De discriminerende drijfveer van de dader is een verzwarende factor bij alle misdrijven, behoudens in die gevallen waarin de wet van de discriminerende drijfveer een verzwarend bestanddeel maakt (art. 29 Sw.).
Openen 8.4 Verzwarend bestanddeel
Een verzwarend bestanddeel heeft tot gevolg hebben dat het misdrijf met een straf van één of meer niveaus hoger wordt bestraft (art. 8 Sw.).
Slechts voor een beperkt aantal misdrijven is er sprake van een verzwarend bestanddeel en dus van een verplichte strafverzwaring. Het betreft:
- Doodslag gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer (art. 99 Sw.).
- Verzwaarde aanzetting tot zelfdoding gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer (art. 110, 2° Sw.).
- Niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer (art. 147 Sw.).
- Gewelddaden gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer (art. 199 Sw.).
- Verzwaarde mensenhandel en mensensmokkel gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer (art. 260, § 1, 8° Sw.).
- Verzwaard illegaal wegnemen, transplanteren, gebruiken of beheren en ongeoorloofd ronselen van een donor of ontvanger van menselijke organen gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer (art. 280, § 1, 8° Sw.).
- Verzwaard faciliteren of verspreiden van illegale praktijken en aanbieden of aanvaarden van een onterecht voordeel in het kader van de handel in menselijke organen gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer (art. 284, § 1, 8° Sw.).
9. Misdrijven met betrekking tot conversiepraktijken
De bepalingen over conversiepraktijken werden hernomen in de artikelen 310-316 Sw.
Openen 9.1 Definitie van conversiepraktijken
Onder conversiepraktijken worden begrepen: “Elke praktijk die bestaat uit een fysieke interventie of het uitoefenen van psychische druk, waarvan door de dader wordt aangenomen of voorgehouden dat die erop gericht is de seksuele oriëntatie, de genderidentiteit of de genderexpressie van een persoon te onderdrukken of te wijzigen, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of vermeend is door de dader” (art. 310 Sw.).
Worden niet als conversiepraktijken beschouwd:
- De hulp- en dienstverlening aangeboden in het kader van de geestelijke en fysieke gezondheidszorg in verband met de verkenning en de ontplooiing van de seksuele oriëntatie, de genderidentiteit of de genderexpressie van een persoon (art. 310 Sw.).
- De behandelingen of ingrepen in het kader van een sociale of medische transitie die worden aangeboden door beroepsbeoefenaars in het kader van de gezondheidszorg, overeenkomstig de voorwaarden en binnen het kader van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt (art. 310 Sw.).
Openen 9.2 Bestraffing van conversiepraktijken
Het opzettelijk uitvoeren van conversiepraktijken wordt gestraft met een straf van niveau 2 (art. 311 Sw.).
Bij de keuze van de straf of maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf bedoeld in artikel 311, neemt de rechter in overweging dat het misdrijf gepleegd werd:
- Door een persoon die zich in een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van het slachtoffer bevindt.
- Op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand. (art. 312 Sw.).
Het opzettelijk aanbieden van conversiepraktijken, direct of indirect, wordt bestraft met een straf van niveau 1 (art. 313 Sw.).
Het opzettelijk aanzetten om conversiepraktijken te ondergaan, het opzettelijk aanzetten van personen om andere personen conversiepraktijken te doen ondergaan of het opzettelijk met welk middel ook op enigerlei wijze, direct of indirect, reclame maken, uitgeven, verdelen of verspreiden voor een aanbod van conversiepraktijken, wordt gestraft met een straf van niveau 1 (art. 314 Sw.). Het aanzetten om conversiepraktijken te ondergaan, het aanzetten van personen om andere personen conversiepraktijken te doen ondergaan of het maken van reclame voor conversiepraktijken, in geval dit tot het plegen van het misdrijf bedoeld in artikel 311 heeft geleid, wordt bestraft met een straf van niveau 2 (art. 315 Sw.).
De term ‘opzettelijk’ verwijst naar een algemeen opzet.
[De straffen van niveau 1 en 2 worden omschreven in artikel 36 Sw. (natuurlijke personen) en artikel 38 Sw. (rechtspersonen)]
[Het algemeen opzet wordt omschreven in artikel 7, § 2 Sw.]
Openen 9.3 Specifiek verbod
De rechtbanken kunnen de personen die veroordeeld zijn voor feiten met betrekking tot conversiepraktijken, voor een maximale duur van 5 jaar, verbieden een beroepsactiviteit of sociale activiteit uit te oefenen die verband houdt met het plegen van de in de afdeling over conversiepraktijken strafbaar gestelde feiten (art. 316 Sw.).
Besluit
Voortaan zijn de strafbepalingen met betrekking tot racisme en discriminatie gegroepeerd terug te vinden in het nieuwe Strafwetboek. Enkel de strafbepalingen met betrekking tot het zich niet voegen naar een vonnis of arrest dat werd gewezen als gevolg van een stakingsvordering bleven nog behouden in de Antiracismewet, Antidiscriminatiewet en de Genderwet.
Eén en ander betekent evenwel niet dat de oude strafbepalingen niet meer kunnen worden toegepast. Er moet immers rekening worden gehouden met de regels over de toepassing van de strafwet in de tijd uit artikel 2 Sw.: “Niemand kan worden bestraft voor een handelen of nalaten dat niet bij wet strafbaar was ten tijde van dat handelen of nalaten. Evenmin kan een zwaardere hoofd- of bijkomende straf worden opgelegd dan die waarin ten tijde van het plegen van het misdrijf bij wet was voorzien. In geval van wijziging van de strafwet na het plegen van het misdrijf gelden de voor de dader meest gunstige bepalingen.” Deze overgangsbepaling houdt in dat een mildere strafwet retroactief moet worden toegepast, in tegenstelling tot een zwaardere strafwet die niet retroactief mag worden toegepast.
De bepalingen over discriminatie bij de toegang tot goederen en diensten en binnen de arbeidsrelaties zijn voortaan van toepassing op alle beschermde criteria. Ook het verenigingsmisdrijf is voortaan van toepassing op alle beschermde criteria (in tegenstelling tot het verspreidingsverbod dat nog steeds beperkt blijft tot denkbeelden gegrond op rassenhaat of rassuperioriteit).
In een aantal gevallen werd in het nieuwe Strafwetboek expliciet verwezen naar een ‘algemeen opzet’ (door het gebruik van de term ‘opzettelijk’). Wanneer dat niet het geval is, dan kan de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof over het vereiste opzet als richtinggevend worden beschouwd.
Wat de haatmisdrijven betreft verdwijnt de drieledige indeling uit het oude Strafwetboek in (1) verplichte strafverzwaringen (bijv. voor slagen en verwondingen), (2) facultatieve strafverzwaringen (bijv. voor schuldig verzuim) en (3) het in overweging nemen van de verzwarende factor bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan. Voortaan vormt de discriminerende drijfveer een verzwarende factor, behoudens in die (beperkte) gevallen waarin de wet van de discriminerende drijfveer een (verplicht) verzwarend bestanddeel heeft gemaakt. Voor een hele reeks misdrijven (bijv. schuldig verzuim en beschadigingsmisdrijven) is er voortaan enkel nog sprake van het in overweging nemen van de discriminerende drijfveer bij de keuze van de straf of de maatregel.
Analyse van de rechtspraak in printversie
Lees je de analyse liever in pdf-formaat? Dat kan!
Nieuw Strafwetboek (inwerkingtreding op 1 september 2026)
Vanaf 1 september 2026 is het nieuwe Strafwetboek van kracht. Ontdek de nieuwe bepalingen over discriminatie, negationisme en haatspraak.
[Opinie] Het nieuwe strafwetboek: stof tot nadenken
België heeft een nieuw strafwetboek goedgekeurd. Iedereen is het erover eens dat dit zowel noodzakelijk en uitdagend was. Deze prestatie is toe te schrijven aan experts, opeenvolgende ministers van Justitie en parlementsleden. Het toont aan dat ingrijpende hervormingen nog altijd mogelijk zijn in België.
Aanbevelingen en opmerkingen bij de wetsontwerpen voor het nieuwe Strafwetboek (boek I en II)
Unia formuleert aanbevelingen en opmerkingen over de wetsontwerpen van boek I en van boek II van het nieuwe Strafwetboek. Ontdek meer.