Analyse van rechtspraak over discriminatie door personen met een openbare functie (januari 2026)
Discriminatie door personen met een openbare functie schaadt het vertrouwen in de rechtsstaat. Ze kan dan ook niet onbestraft blijven. Deze analyse gaat in op diverse elementen van discriminatie door personen met een openbare functie:
1. Wettelijk kader
De federale Antiracismewet, Antidiscriminatiewet en Genderwet bevatten een strafrechtelijke bepaling over discriminatie, in de uitoefening van het ambt, door openbare officieren of ambtenaren en dragers of agenten van het openbaar gezag of de openbare macht (art. 23 ARW, 23 ADW en 28 Genderwet). Deze bepaling werd destijds geïnspireerd op artikel 150 oud Strafwetboek.
[Opmerking: In de initiële Antiracismewet (art. 4 ARW 1981) was er nog geen sprake van ‘discriminatie’, maar wel van ‘een persoon wegens het ras, de huidskleur, de afkomst of de nationale of etnische afstamming, de uitoefening van een recht of van een vrijheid, waarop deze persoon aanspraak kan maken, op willekeurige wijze ontzeggen’. Deze bepaling was ook van toepassing op een groep, een gemeenschap of de leden ervan.]
De Gewesten en Gemeenschappen hebben binnen hun bevoegdheidsdomeinen gelijkaardige bepalingen aangenomen (art. 49 Brussels wetboek inzake de gelijkheid, de non-discriminatie en de bevordering van diversiteit; art. 28 Decreet Duitstalige Gemeenschap ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie; art. 55 Decreet Franse Gemeenschap betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie; art. 32 Decreet houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid en art. 24 Decreet Waals Gewest ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie).
De strafrechtelijke bepalingen over discriminatie door personen met een openbare functie werden overgebracht naar artikel 253 van het nieuwe Strafwetboek onder de hoofding ‘discriminatie gepleegd door een persoon die een openbare functie uitoefent of in zijn naam gepleegd door middel van een valse handtekening’. De strafrechtelijke bepaling uit artikel 253 van het nieuwe Strafwetboek luidt als volgt: “De discriminatie gepleegd door een persoon die een openbare functie uitoefent is het plegen van een discriminatie jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden ervan op grond van één of meer beschermde criteria bedoeld in artikel 249, 2e lid, door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie. Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.”
[Opmerking: desgevallend kan er ook sprake zijn van tuchtrechtelijke maatregelen, bijvoorbeeld wanneer een persoon met een openbare functie systematisch personen van buitenlandse origine onvriendelijk behandelt, zonder dat de grenzen van het strafrechtelijke worden overschreden (VAN NIEUWEHOVE J., ‘Extremistische en racistische vormen van meningsuiting door politieambtenaren, rijkswachters en militairen’, Vigiles 1995, 7).]
2. Voorbeeldfunctie van personen met een openbare functie
De wetgever oordeelde dat personen met een openbare functie “het voorbeeld moeten geven wat eerbied voor de wet en gelijke behandeling van eenieder betreft” (verslag namens de commissie voor de justitie, SENAAT, BZ 1999, 18 december 2001, nr. 2-12/15, 9) en dat strafsancties moesten worden voorzien voor “de meest ernstige discriminerende gedragingen”, zoals discriminatie door personen met een openbare functie (wetsvoorstel ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, SENAAT, BZ 1999, 14 juli 1999, nr. 2-12/1, 5).
De correctionele rechtbank van Antwerpen wees uitdrukkelijk op de voorbeeldfunctie van politieambtenaren (correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, 23 juni 2020):
- “Van politiemensen kan in alle omstandigheden worden verwacht dat zij zich gedragen overeenkomstig de wet en niet alleen optreden als hoeder van de openbare orde, maar ook als beschermer van de fundamentele rechten en vrijheden van iedereen die zich op Belgisch grondgebied bevindt, zonder discriminatie.”
- “Door de feiten wordt het maatschappelijk vertrouwen in de politiediensten, wat essentieel is voor de werking van de democratische rechtsstaat, ernstig geschaad. Beklaagden hebben manifest misbruik gemaakt van de machtspositie die de samenleving hen toevertrouwde.”
Het hof van beroep van Brussel stelde, naar aanleiding van de mishandeling van een jongeman in de lokalen van de Rijkswacht dat “ook de hele samenleving geraakt wordt door het fysieke en verbale geweld dat een van haar burgers heeft ondergaan in een plaats waar de burger mag verwachten dat de veiligheid van iedereen is gewaarborgd” (hof van beroep Brussel (Franstalig), 30 juni 2003).
3. Constitutieve bestanddelen – materiële bestanddelen
Het misdrijf discriminatie door personen met een openbare functie omvat 3 materiële bestanddelen.
Vereist is dat:
Openen een persoon met een openbare functie
Het begrip ‘openbare officieren of ambtenaren en dragers of agenten van het openbaar gezag of de openbare macht’ uit de Antiracismewet, Antidiscriminatiewet en Genderwet werd nooit duidelijk vastgelegd. Dit euvel werd verholpen in het nieuwe Strafwetboek. Artikel 79, 5° van het nieuwe Strafwetboek geeft een omschrijving van het begrip ‘persoon met een openbare functie’.
Het betreft in de eerste plaats iedere persoon die op basis van een wet, decreet of ordonnantie, een besluit of een rechterlijke beslissing de opdracht heeft om de openbare orde te handhaven of de naleving van bepaalde normen of beslissingen van een overheidsorgaan te controleren of af te dwingen. Hiermee worden onder meer bedoeld:
- politieambtenaren
- veld- en boswachters
- belastinginspecteurs
- milieu-inspecteurs
- GAS-ambtenaren
- bewakingsagenten in de zin van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid
- stewards in de zin van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden
- penitentiaire beambten
- ambtenaren van internationale organisaties aan wie België conform artikel 34 Grondwet bepaalde machten heeft overgedragen
Daarnaast betreft het iedere persoon die een openbare dienst of opdracht uitoefent waarbij diens handelingen zijn bepaald en gereglementeerd door een wet, decreet of ordonnantie, een besluit of een rechterlijke beslissing. Hiermee worden onder meer bedoeld:
- militairen
- ministeriële ambtenaren (zoals notarissen, deurwaarders en advocaten bij het Hof van Cassatie)
- gerechtsdeskundigen
- gemeenteraadsleden
- Belgische diplomaten
- faillissementscuratoren
Openen in het kader van de uitoefening van die functie
De discriminatie moet plaatsvinden in het kader van de uitoefening van de functie. In artikel 79, 13° van het nieuwe Strafwetboek wordt dit als volgt omschreven: “Situatie waarin de dader het misdrijf pleegt tijdens de uitoefening van deze functie of door gebruik te maken van deze functie.”
Openen discriminatie pleegt jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden ervan op grond van één of meer beschermde criteria
Discriminatie wordt in het nieuwe Strafwetboek gedefinieerd als: “Elke vorm van directe opzettelijke discriminatie, indirecte opzettelijke discriminatie, opdracht tot discriminatie, intimidatie of seksuele intimidatie op grond van één of meer beschermde criteria, alsook de weigering om redelijke aanpassingen te treffen ten voordele van een persoon met een handicap” (art. 249, 1e lid nieuw Sw.).
De beschermde criteria zijn zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, moederschap, gezinsverantwoordelijkheden, medische of sociale transitie, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele oriëntatie, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst of toestand (art. 249, 2e lid nieuw Sw.).
Deze beschermde criteria kunnen werkelijk zijn of vermeend, eigen zijn of bij associatie toegekend en alleenstaand zijn of worden gecombineerd met één of meer beschermde criteria (art. 249, 3e lid nieuw Sw.).
4. Constitutieve bestanddelen – moreel bestanddeel
In het nieuwe Strafwetboek wordt de term ‘opzettelijk’ gebruikt voor misdrijven die een algemeen opzet vereisen. Deze term komt in de plaats van ‘wetens en willens’. “Het algemeen opzet bestaat uit het voornemen om met kennis van zaken het door de wet strafbaar gestelde gedrag aan te nemen. Er is sprake van het met kennis van zaken aannemen van het gedrag als een persoon zich er bewust van is dat een omstandigheid bestaat of kan bestaan in de normale gang van zaken of dat een gevolg zich zal voordoen of zou kunnen voordoen binnen het normale verloop van de gebeurtenissen” (art. 7, § 2, 1e lid nieuw Sw.).
5. Bijzondere bepalingen
In het nieuwe Strafwetboek werden de bijzondere bepalingen uit de Antiracismewet, Antidiscriminatiewet en Genderwet hernomen.
De ondergeschikte kan handelen op bevel van een meerdere. In dat geval wordt de straf toegepast op de meerdere die het bevel heeft gegeven (art. 253, § 2 nieuw Sw.). De meerdere moet bevoegd zijn om het bevel te geven aan de ondergeschikte en de ondergeschikte moet gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan de meerdere. Het bewijs moet worden geleverd door de ondergeschikte.
De meerdere die ervan worden beticht de daden van willekeur bevolen, toegelaten of vergemakkelijkt te hebben en die beweert dat diens handtekening bij verrassing werd verkregen, moet niet alleen een einde maken aan de daden, maar ook de schuldige aangeven. Gebeurt dit niet, dan wordt de meerdere zelf vervolgd (art. 253, § 3 nieuw Sw.).
Als, ten slotte, een ondergeschikte een daad van willekeur pleegt door middel van een valse handtekening, dan wordt de dader van de valsheid, en zij die er kwaadwillig of bedrieglijk gebruik van maken, gestraft met een straf van niveau 3 (art. 253, § 4 nieuw Sw.).
6. Rechtspraak
De (gekende) rechtspraak met betrekking tot de strafrechtelijke bepalingen over discriminatie door personen met een openbare functie is beperkt.
Persoon met een openbare functie
De (gekende) rechtspraak heeft voornamelijk betrekking op
- politieambtenaren, bijvoorbeeld:
- hof van beroep Luik, 15 december 1997
- hof van beroep Brussel (Franstalig), 28 maart 1998
- correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, 24 december 2002
- correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, 23 juni 2020
- hof van beroep Antwerpen, 7 mei 2021
- correctionele rechtbank Brussel (Nederlandstalig), 14 februari 2024)
- militairen, bijvoorbeeld:
Daarnaast heeft een deel van de (gekende) rechtspraak betrekking op andere personen dan politieambtenaren en militairen, bijvoorbeeld:
- raadsheren van het hof van beroep (Hof van Cassatie, 23 januari 1996)
- ambtenaar van de FOD Financiën (correctionele rechtbank Luik, afdeling Luik, 31 oktober 2017)
- beëdigde vertaalster (correctionele rechtbank Brussel (Franstalig), 29 juni 2021)
- leraar (correctionele rechtbank Luik, afdeling Luik, 11 maart 2024)
- leden van een dienst die instond voor de overbrenging van gedetineerden (correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen 3 mei 2023)
In een andere context (namelijk die van het beledigingsmisdrijf) oordeelde de correctionele rechtbank van Luik dat een treinbegeleider van de NMBS geen drager is van het openbaar gezag of de openbare macht of met een openbare hoedanigheid is bekleed (correctionele rechtbank Luik, afdeling Luik, 10 november 2022).
Handelen in het kader van de uitoefening van de functie
De personen met een openbare functie moeten handelen in het kader van de uitoefening van hun functie.
De correctionele rechtbank van Antwerpen oordeelde dat de zinssnede ‘in de uitoefening van het ambt’ impliceert dat het moet gaan “om verticale relaties tussen personen in openbare dienst enerzijds en burgers anderzijds en niet om relaties tussen ambtenaren onderling of organisatie-intern gedrag”. Feiten van vermeende discriminatie tussen leden van een dienst vallen volgens de correctionele rechtbank niet onder het toepassingsgebied van de tenlastelegging. Daarnaast oordeelde de correctionele rechtbank dat de zinssnede ‘in de uitoefening van het ambt’ betekent dat men moet handelen als ambtenaar en niet als privépersoon. Deze rechtszaak betrof de leden van een dienst die instond voor de overbrenging van gedetineerden. Ze hadden een WhatsApp-groep gemaakt waarin ze onder meer berichten deelden over collega’s (die meestal geen lid waren van de WhatsApp-groep). De berichten getuigden van een weinig collegiale mentaliteit en waren op sommige momenten grof en respectloos (correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen 3 mei 2023).
In dezelfde zin was de correctionele rechtbank van Brussel van oordeel dat een politiecommissaris niet kon worden veroordeeld voor discriminatie. Een politiecommissaris, die leiding gaf aan een hondenbrigade, had in het bijzijn van medewerkers van joodse afkomst nazi-liederen laten horen en ongepaste opmerkingen gemaakt. Hij zei bijvoorbeeld dat één van de medewerkers gierig was (een verwijzing naar het stereotype van de gierige jood) en tijdens een oefening liet hij een cash dog op zoek gaan naar geld bij die medewerker. De correctionele rechtbank oordeelde dat niet voldaan was aan één van de constitutieve bestanddelen van het misdrijf, namelijk de vereiste dat de discriminatie moet worden begaan in het kader van de uitoefening van de functie. “Deze vereiste kan niet anders inhouden dan dat beklaagde een persoon zou hebben gediscrimineerd bij het uitoefenen van het openbaar gezag of openbare macht waarvan hij drager was, dienvolgens ten opzichte van een persoon die deze macht niet heeft en daaraan onderworpen wordt. Op het ogenblik van het stellen van de bedoelde handelingen gebeurde zulks niet ten opzichte van een persoon die aan de openbare macht of aan het openbaar gezag werd onderworpen, doch wel ten opzichte van een ondergeschikte collega en dus in het kader van de arbeidsrelaties tussen personen die alle drager of agent zijn van de openbare macht of het openbaar gezag” (correctionele rechtbank Brussel (Nederlandstalig), 14 februari 2024).
Ten slotte bevestigde het hof van beroep van Brussel in een rechtszaak dat er geen sprake was van discriminatie door een persoon met een openbare functie omdat de beklaagde niet had gehandeld in de uitoefening van zijn ambt. De beklaagde had e-mailberichten verspreid, waaronder een open brief aan Zijne Majesteit Hassan II, waarin hij had aangezet tot discriminatie, segregatie, haat of geweld jegens de Marokkaanse gemeenschap in België en jegens de Afrikaanse gemeenschap. De beklaagde werd vervolgd voor ‘aanzetten tot’ en voor discriminatie door een persoon met een openbare functie. Het hof van beroep bevestigde dat er sprake was van ‘aanzetten tot’, maar dus niet van discriminatie (hof van beroep Brussel (Nederlandstalig), 27 juni 2000).
Discrimineren wegens een beschermd kenmerk
De discriminatie moet plaatsvinden jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden ervan op grond van één of meer beschermde criteria.
Feiten onvoldoende bewezen
2 militairen werden vervolgd voor slagen en verwondingen en bedreigingen. Tijdens een VN-opdracht in Somalië hadden ze een kind boven een kampvuur gehouden. Het krijgshof bevestigde het vonnis in eerste aanleg en oordeelde dat de feiten niet bewezen waren. Unia had gevraagd om de bepaling over discriminatie door een persoon met een openbare functie uit de Antiracismewet toe te passen. Maar het krijgshof ging daar niet op in overwegende “dat niets aantoont dat de feiten werden geïnspireerd door een vorm van racisme of werden gepleegd vanuit haat omwille van de etnische origine van het slachtoffer; dat niet is bewezen dat de feiten zouden zijn gebaseerd op rassendiscriminatie, of dat ze discriminatie omwille van ras, huidskleur, afstamming of nationaliteit uitmaakten” (krijgshof Brussel (Nederlandstalig, 17 december 1997).
Een arts van Libanese origine, die in België werkzaam was, had een geschil met de fiscus over de aftrek van het onderhoudsgeld dat hij betaalde aan familie in het buitenland. Hij meende dat de ambtenaar van de FOD Financiën hem discrimineerde. De correctionele rechtbank van Luik vond geen enkel element dat wees op discriminatie (correctionele rechtbank Luik, afdeling Luik, 31 oktober 2017). Het vonnis in eerste aanleg werd bevestigd door het hof van beroep van Luik. De arts kon niet aantonen dat hij door de ambtenaar van de FOD Financiën minder gunstig werd behandeld dan een andere belastingplichtige die zich in dezelfde situatie bevond (hof van beroep Luik, 28 juni 2018).
Een leraar werd aangeklaagd voor discriminatie. Hij had aan een studente gezegd dat ze haar hoofddoek moest afdoen, want anders zou hij haar examen niet verbeteren. De correctionele rechtbank van Luik oordeelde dat de feiten niet boven elke redelijke twijfel waren aangetoond en vestigde de aandacht op het schoolreglement waarin stond dat de oren moesten worden vrijgemaakt tijdens een examen (correctionele rechtbank Luik, afdeling Luik, 11 maart 2024).
Geen sprake van discriminatie
In een arrest had het hof van beroep van Gent geoordeeld dat “de nationaliteit van de beklaagde een ernstige reden vormde om te vrezen dat hij zich zou onttrekken aan het optreden van het gerecht”. Het Hof van Cassatie oordeelde dat uit de motivering van de raadsheren van het hof van beroep geen inbreuk op de strafrechtelijke bepaling over discriminatie tijdens de ambtsuitoefening kon worden afgeleid (Hof van Cassatie, 23 januari 1996).
Een politieambtenaar had ter gelegenheid van de Waalse feesten gezegd: “… c’est la fête de Wallonie, pas celle des arabes …”. Het hof van beroep van Luik bevestigde het vonnis in eerste aanleg en oordeelde dat er geen sprake was van discriminatie door een persoon met een openbare functie (hof van beroep Luik, 15 december 1997).
Enkele politieambtenaren werden opgeroepen na een auto-ongeval waarbij een persoon met migratieroots was betrokken. De politieambtenaren weigerden een proces-verbaal op te stellen. Ze werden onder meer vervolgd voor discriminatie door een persoon met een openbare functie. Het hof van beroep oordeelde dat de feiten niet bewezen waren. De politieambtenaren hadden vastgesteld dat het ongeval zich had voorgedaan op het grondgebied van een andere politiezone en hadden het slachtoffer aangeraden om een aanrijdingsformulier in te vullen. Hun houding was volgens het hof van beroep van Brussel niet ingegeven door de buitenlandse origine van het slachtoffer, maar wel door het onschuldige karakter van het ongeval en de wens om in dergelijke omstandigheden extra werk te vermijden (hof van beroep Brussel (Franstalig), 28 maart 1998). In eerste aanleg had de correctionele rechtbank van Brussel de politieambtenaren overigens wel veroordeeld voor discriminatie door een persoon met een openbare functie (correctionele rechtbank Brussel (Franstalig), 20 februari 1997, T.V.R. 1996, 377).
Een beëdigde vertaalster had aan de voogd van een niet-begeleide minderjarige van Chileense origine per e-mail laten weten “dat ze niet wilde werken aan de belachelijke tarieven van de Belgische justitie”. Ze schreef ook: “Ik ben nu extreemrechts en ik keur het ten zeerste af dat er nog meer niet-gediplomeerde buitenlanders op ons grondgebied komen (…). En ik moedig u sterk aan om een andere hobby te zoeken dan België teisteren met dit soort potentieel uitschot. Ik spreek uit ervaring. Chilenen in Chili. De sociale zekerheid voor etnische Belgen. Zoniet, stoppen wij met bij te dragen. Als dat kind geen toestemming heeft om in België te blijven, hoort het thuis op een charter naar Chili. Bij zijn ouders. Met de gezinshereniging, zal het de hele bende terugbrengen... (…).” De correctionele rechtbank van Brussel oordeelde dat er geen sprake was van discriminatie door een persoon met een openbare functie. De beëdigde vertaalster wilde immers niet werken aan de “belachelijke tarieven van de Belgische justitie”, wat volgens de correctionele rechtbank inhield dat ze niet discrimineerde omdat ze elke vertaalopdracht zou weigeren van de dienst Voogdij van de FOD Justitie en dit voor eender welke persoon (correctionele rechtbank Brussel (Franstalig), 29 juni 2021).
Effectief sprake van discriminatie
Een militair had tijdens een VN-opdracht in Somalië een Somalisch islamitisch kind gedwongen om varkensvlees te eten. Hij wilde een voorbeeld stellen, namelijk “het kind door de toebedeling van onrein vlees dermate afstraffen en afschrikken zodat het zou wegblijven van het ‘checkpoint’ uit schrik er opnieuw een voor hem ondraaglijke behandeling te moeten onderdaan, te weten het ongewenst eten van voedsel dat het overeenkomstig zijn geloofsovertuiging niet mocht eten”. Het krijgshof stelde vast dat precies varkensvlees werd toegediend omdat het om een moslim ging en er dus ook motieven van racistische aard meespeelden. Er was sprake was van discriminatie door een persoon met een openbare functie (krijgshof Brussel (Nederlandstalig), 7 mei 1998). Eerder had de krijgsraad de militair vrijgesproken omdat werd getwijfeld aan het racistisch motief. De krijgsraad stelde: “Er zijn talrijke aanwijzingen (…) die toelaten te veronderstellen dat de beklaagde er mogelijk racistische motieven op nahield. Beklaagde is echter vrij om te denken wat hij wil. Beklaagde wordt niet vervolgd om zijn opinies” (krijgsraad Brussel (Nederlandstalig), 30 maart 1998 - aangehaald in DE PRINS D., SOTTIAUX S. en VRIELINK J., Handboek discriminatierecht, 369).
Een jongeman met migratieroots werd mishandeld in de lokalen van de (toenmalige) Rijkswacht. De correctionele rechtbank van Brussel sprak de beklaagde vrij. Volgens de correctionele rechtbank sprak het slachtoffer zich tegen over wie de feiten had gepleegd (correctionele rechtbank Brussel (Franstalig), 18 december 2002). Het hof van beroep van Brussel onderzocht de zaak opnieuw en veroordeelde de dader onder meer voor discriminatie in de uitoefening van het ambt (hof van beroep Brussel (Franstalig), 30 juni 2003).
Een politiecommissaris liet tijdens briefings zijn minachting blijken voor personen met migratieroots. Hij maande zijn manschappen aan om hardhandig en gewelddadig op te treden tegenover hen en deed dat in platvloerse bewoordingen (“je moet de stront uit hun lijf nijpen tot je er zelf bij dood valt" en “je moet erop kloppen tot je erbij doodvalt, anders heb je je werk niet goed gedaan"). De correctionele rechtbank van Dendermonde oordeelde dat de politiecommissaris in de uitoefening van zijn ambt discriminatie had gepleegd tegenover personen met migratieroots (correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, 24 december 2002). Het vonnis in eerste aanleg werd bevestigd door het hof van beroep van Gent (hof van beroep Gent, 23 september 2003).
Verschillende politieambtenaren hadden slachtoffers (vaak met een illegaal verblijfsstatuut) beroofd van geld en andere bezittingen, fysiek mishandeld en psychisch vernederd. Sommige personen werden meegenomen naar een afgelegen plek en daar gefouilleerd. Een transgender sekswerker van Roemeense origine werd gevolgd met een combi, uitgescholden en er werd een wapen op hem gericht. De politieambtenaren werden vervolgd voor een hele reeks feiten, waaronder verschillende feiten van discriminatie door personen met een openbare functie. Met betrekking tot een aantal feiten oordeelde de correctionele rechtbank van Antwerpen dat ze geen discriminatie vormden, bijvoorbeeld omdat ze plaatsvonden in het kader van een reguliere controle of nodig waren omdat het slachtoffer geseind stond. Andere feiten waren volgens de correctionele rechtbank niet bewezen. In enkele gevallen was er wel sprake van discriminatie, bijvoorbeeld omdat specifiek personen met een illegaal verblijfsstatuut werden gecontroleerd of meegenomen naar een afgelegen plek of omdat enkel Marokkaanse klanten van een café werden geviseerd bij een controle (correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, 23 juni 2020 en hof van beroep Antwerpen, 7 mei 2021).
Moreel bestanddeel
Wat het moreel bestanddeel betreft, bevestigt de rechtspraak dat het misdrijf discriminatie door personen met een openbare functie een algemeen opzet vereist (correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen 3 mei 2023).
Analyse van de rechtspraak in printversie
Lees je de analyse liever in pdf-formaat? Dat kan!
Andere analyses van rechtspraak
Analyse van de rechtspraak over leeftijdslimieten in het domein arbeid (oktober 2025)
Unia ontvangt elk jaar tal van meldingen over leeftijdslimieten die worden opgelegd in het kader van sollicitaties of het (blijven) uitoefenen van bepaalde beroepen of functies. In deze analyse van de rechtspraak over leeftijdslimieten in het domein arbeid gaan we dieper in op het thema.
Analyse van de rechtspraak over cumulatieve en intersectionele discriminatie (juli 2025)
Door de goedkeuring van de wet van 28 juni 2023 werden de begrippen intersectionele en cumulatieve discriminatie opgenomen in de federale antidiscriminatiewetten. We deden een eerste analyse van rechtspraak over cumulatieve en intersectionele discriminatie.
Analyse van rechtspraak over discriminatie op grond van syndicale overtuiging (april 2025)
Eind 2009 werd het beschermd kenmerk syndicale overtuiging toegevoegd aan de antidiscriminatiewet. Sindsdien heeft dit beschermd kenmerk geleid tot een reeks vonnissen en arresten die in deze bijdrage worden geanalyseerd.