Unia en een bank komen overeen om de gerechtelijke procedure over een vermeende discriminatie om nationaliteit te beëindigen

28 september 2016
Discriminatiegrond: Andere gronden

Na de invoering van een Amerikaanse reglementering (de zogenaamde “Foreign Account Tax Compliance Act” of “FATCA”) meende een bank die actief is in België, dat deze reglementering haar te zware en te kostelijke verplichtingen oplegde wat betreft de overdracht van informatie aan de Amerikaanse autoriteiten over klanten op wie deze reglementering betrekking heeft (de zogenaamde “US Persons”). De bank besloot bijgevolg in 2014 om de rekeningen van deze klanten af te sluiten.

De bank weigerde overigens elke nieuwe opening van rekening voor dit type van klanten.

Verschillende van de betrokken klanten spraken Unia aan en kloegen over de afsluiting van hun rekeningen, hetgeen ze beschouwden als een discriminatie op basis van hun Amerikaanse nationaliteit. Na een eerste nazicht van het dossier was Unia van oordeel dat de bank effectief een ongeoorloofd onderscheid hanteerde op basis van de nationaliteit van de betrokkenen in strijd met de wet van 30 juli 1981.

Unia en de bank hadden verschillende contacten met elkaar, waarbij de bank volhield dat haar positie noodzakelijk, passend en niet-discriminatoir was. De bank beriep zich hoofdzakelijk op de disproportionele kost die zij zou oplopen als ze zich moest aanpassen aan de Fatca-regels en verdedigde om deze reden het verschil in behandeling dat ze toepaste op “US Persons”.

Omdat Unia en bepaalde voormalige “US Persons”-klanten geen vrede namen met de positie van de bank, besloten zij om naar de rechtbank te stappen met het oog op het laten vaststellen van een discriminatie en leidden daartoe een vordering tot staking in voor de Voorzitter van de rechtbank van koophandel Brussel.

Bij gezamenlijk akkoord stelden Unia, de betrokken voormalige klanten en de bank aan de Voorzitter van de rechtbank voor om de zaak vast te stellen binnen een termijn die ruimte bood voor een laatste onderhandelingspoging met het oog op het bereiken van een minnelijke oplossing voor de problematiek.

De bank besloot dan op vrijwillige wijze haar positie te herzien en ging ermee akkoord om vanaf 1 maart 2016 opnieuw aan de “US Persons”-klanten dezelfde diensten aan te bieden als deze die werden aangeboden vóór de opzegging in 2014, en dit aan dezelfde voorwaarden. De bank bevestigde dat haar beleidswijziging niet enkel geldt voor de eisende partijen en de voormalige klanten wiens rekeningen werden afgesloten en die er opnieuw rekeningen kunnen openen, maar eveneens voor alle nieuwe “US Persons”-klanten, die er vanaf nu terecht kunnen.

De bank stelde ook een bevredigende oplossing voor aan de personen die Unia hadden aangesproken en beroep hadden gedaan op de rechtbank. Op deze wijze werd er in onderlinge overeenstemming een einde gesteld aan de gerechtelijke procedure die was opgestart. Zij is nu zonder voorwerp.

Unia heeft zich ertoe verbonden om de vertrouwelijkheid van betrokken partijen te bewaren, en om enkel te communiceren op basis van het onderhavige persbericht.

Vergelijkbare artikels