Ga verder naar de inhoud
Gepubliceerd op: 13/06/2024
Bevoegdheidsniveau: Federaal niveau
Thema’s: Haatmisdrijven
Domeinen: Strafrecht

Facultatieve strafverzwaring

Voor: art. 422quater Sw. (schuldig verzuim), art. 438bis Sw. (aanslag op de persoonlijke vrijheid en op de onschendbaarheid van de woning), art. 442ter Sw. (belaging), art. 453bis Sw. (aanranding van de eer of goede naam van personen), art. 514bis Sw. (brandstichting), art. 525bis Sw. (vernieling van bouwwerken, stoommachines en telegraaftoestellen), art. 532bis Sw. (vernieling en beschadiging van eetwaren, koopwaren of andere roerende eigendommen en art. 534quater Sw. (graffiti en beschadiging van onroerende eigendommen). 

Verplichte strafverzwaring

Voor: art. 405quater Sw. (doodslag, slagen en verwondingen en (poging tot) toedienen van stoffen die de dood kunnen veroorzaken of de gezondheid zwaar kunnen schaden) en art. 417/20 Sw. (niet-consensuele seksuele handelingen).

Verzwarende factor: art. 78bis en 78ter Sw.

Voor: alle andere misdrijven.

Overgangsregeling in het kader van het nieuwe Strafwetboek

Vanaf 1 september 2026 is het nieuwe Strafwetboek van kracht. Voor feiten die vóór 1 september 2026 zijn gepleegd, blijft in principe het oude Strafwetboek gelden (dat van toepassing was op het moment van de feiten). Het nieuwe Strafwetboek geldt dus niet automatisch voor oudere dossiers. Daarop bestaat wel een belangrijke uitzondering. Als het nieuwe Strafwetboek voor de betrokkene gunstiger is, bijvoorbeeld omdat het een lichtere straf voorziet, moet de rechter het nieuwe recht toch toepassen. 

Nieuwe, strengere bepalingen kunnen daarentegen niet met terugwerkende kracht worden toegepast op feiten gepleegd vóór 1 september 2026. Daardoor zal in lopende zaken soms moeten worden nagegaan of het oude dan wel het nieuwe recht het gunstigst is voor de beklaagde.

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?