Hof van beroep Luik, 28 maart 1991
Ter gelegenheid van de gemeenteraadsverkiezingen van 1988 wordt door de Parti des Forces Nouvelles campagne gevoerd waarin racistisch gedachtegoed niet wordt geschuwd onder het mom van de migratieproblematiek. De kamer van inbeschuldigingstelling analyseert zorgvuldig de aspecten vrijheid van meningsuiting en persdelict om uiteindelijk naar de correctionele rechtbank te verwijzen.
[Zie ook: Hof van beroep Luik, 26 maart 1997]
[Waarschuwing: deze uitspraak kan kwetsend taalgebruik bevatten.]
Juridische kwalificatie
Het openbaar ministerie vervolgde de beklaagden voor:
- Aanzetten tot discriminatie, rassenscheiding, haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan (artikel 1, 2° antiracismewet 1981 – thans artikel 250, 3°-4° Strafwetboek).
- Publiciteit geven aan zijn voornemen tot rassendiscriminatie (artikel 1, 3° antiracismewet 1981).
- Behoren tot of medewerking verlenen aan een groep of vereniging die openlijk en herhaaldelijk rassendiscriminatie of rassenscheiding bedrijft of verkondigt (artikel 3 antiracismewet 1981 – thans artikel 252 Strafwetboek).
Beslissing
Omdat dit een beperking van de vrijheid van meningsuiting zou betekenen, kan men geen burger als racistisch bestempelen die zich (in het openbaar) vragen stelt bij de legitimiteit van de aanwezigheid van bepaalde vreemdelingen in België. Zelfs wanneer de Grondwet elke burger het recht geeft om voorstellen te doen om sociaaleconomische problemen in verband met immigratie op te lossen, moet de uitdrukking van deze meningen toch binnen het kader van artikel 14 van de Grondwet blijven, dat de bestraffing van misdrijven die bij het gebruik van deze vrijheden worden gepleegd, voorbehoudt.
Wat het officiële programma van de partij waartoe de beklaagden behoorden of waaraan zij meewerkten betreft, blijft het een feit dat het persorgaan regelmatig meningen verkondigde die onder de bepalingen van de wet van 30 juli 1981 zouden kunnen vallen, uitspraken waarvan de beklaagden in principe niet onkundig mochten zijn en die betrekking hadden op de doelstellingen van de groepering waaraan zij deelnamen.
De affiches en pamfletten die door deze partij werden gebruikt, met ten minste de instemming van de beklaagden, overschrijden duidelijk de grenzen van de karikatuur als middel om de aandacht van het publiek te trekken en zetten aan tot discriminatie, segregatie, haat of geweld tegen een gemeenschap vanwege de etnische afkomst van haar leden.
De wet van 30 juli 1981 verwijst naar de omstandigheden die worden genoemd in artikel 444 van het Wetboek van Strafrecht, waaronder zeker het gebruik van affiches die worden verspreid of tentoongesteld in het openbaar. Het gebruik van deze middelen volstaat niet om te spreken van een persdelict. De activiteit van de beklaagden bestond immers niet in het verspreiden van hun ideeën via de pers, maar wel in het promoten van de partij die zij steunden of waarvan zij kandidaat waren.
De kamer van inbeschuldigingstelling verwijst de zaak dan ook door naar de correctionele rechtbank (Corr. Luik, 22 juni 1993).