Hof van Justitie van de Europese Unie, 15 juli 2021
Een penitentiair beamte wordt ontslagen wegens gehoorproblemen, zonder dat de mogelijkheid wordt geboden om na te gaan of de betrokken beambte in staat is om, in voorkomend geval na het doorvoeren van redelijke aanpassingen, de aan die functie verbonden taken te verrichten.
XX tegen Tartu Vangla (C-795/19)
Feiten
Verzoeker in het hoofdgeding is gedurende bijna 15 jaar als penitentiair beambte werkzaam geweest in de penitentiaire inrichting van Tartu (Estland). Vanaf 2 december 2002 werkte hij als bewaarder op de „gevangenisafdeling” van die penitentiaire inrichting en vervolgens, vanaf 1 juni 2008, als bewaarder op de „observatieafdeling” van diezelfde inrichting. In laatstgenoemde functie had verzoeker onder meer tot taak om – overeenkomstig de instructies – door middel van een volgsysteem toezicht te houden op personen die onder elektronisch toezicht stonden en informatie te verstrekken over deze personen, om toezicht‑ en signaleringsinstallaties te monitoren, om te reageren op en informatie te verstrekken over met name alarmeringen, en om overtredingen van het interne reglement van de penitentiaire inrichting te constateren.
Volgens een gezondheidsverklaring van 4 april 2017 voldeed de gehoordrempel van het linkeroor van verzoeker in het hoofdgeding aan de vereisten van besluit nr. 12, terwijl de gehoordrempel van zijn rechteroor tussen 55 en 75 dB bedroeg in het frequentiebereik 500‑2 000 Hz. Volgens verzoeker ging het om gehoorverlies dat reeds dateerde uit zijn kindertijd.
Bij besluit van 28 juni 2017 heeft de directeur van de penitentiaire inrichting van Tartu verzoeker in het hoofdgeding ontslagen op grond van de relevante bepalingen van het Estse recht, waaronder met name § 5 van besluit nr. 12, omdat zijn gehoorvermogen niet voldeed aan de in dat besluit vastgestelde minimumgehoordrempels.
Beslissing
Artikel 2, lid 2, onder a), artikel 4, lid 1, en artikel 5 van richtlijn 2000/78 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan het absoluut onmogelijk is om een penitentiair beambte in dienst te houden van wie het gehoorvermogen niet voldoet aan de bij deze regeling vastgestelde minimumgehoordrempels, zonder dat die regeling de mogelijkheid biedt om na te gaan of de betrokken beambte in staat is om, in voorkomend geval na het doorvoeren van redelijke aanpassingen in de zin van artikel 5 van die richtlijn, de aan die functie verbonden taken te verrichten.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: EU-HvJ, XX tegen Tartu Vangla, 15/7/2021 – Rolnummer C-795/19
Wetgeving:
- EU-Kaderrichtlijn 2000/78/EG (27 november 2000)