Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 juni 2014
Richtlijn 2000/78 verzet zich tegen tegen een nationale maatregel op grond waarvan de trap van het basissalaris van een ambtenaar binnen elke salarisgroep bij zijn aanstelling op basis van zijn leeftijd wordt bepaald.
Thomas Specht e.a. tegen Land Berlin en Bundesrepublik Deutschland (C‑501/12 tot en met C‑506/12, C‑540/12 en C‑541/12)
Feiten
Specht (zaak C‑501/12), Schombera (zaak C‑502/12), Wieland (zaak C‑503/12), Schönefeld (zaak C‑504/12), Wilke (zaak C‑505/12) en Schini (zaak C‑506/12) enerzijds, en Schmeel (zaak C‑540/12) en Schuster (zaak C‑541/12) anderzijds zijn als ambtenaar in vaste dienst benoemd bij respectievelijk het Land Berlin en de Bondsrepubliek Duitsland.
Verzoekende partijen zijn voor het eerst ingedeeld in het bezoldigingsstelsel overeenkomstig het BBesG a.F., dat wil zeggen op grond van hun salarisanciënniteit ten tijde van hun benoeming.
Verzoekende partijen betwisten de berekening van hun bezoldiging en voeren bij de verwijzende rechter aan dat zij op grond van leeftijd worden gediscrimineerd.
In de zaken C‑502/12 en C‑506/12 vorderen Schombera en Schini een nabetaling die overeenkomt met het verschil tussen de bezoldiging volgens de daadwerkelijk toegekende salaristrap en bezoldiging volgens de hoogste salaristrap, en wel voor het tijdvak van 1 januari 2008 tot en met 1 augustus 2011, de datum waarop is overgegaan op de nieuwe, op ervaring gebaseerde bezoldigingsregeling.
In de zaken C‑501/12, C‑503/12 en C‑505/12 vorderen Specht, Wieland en Wilke dat hun voor het tijdvak van september 2006 tot en met 31 juli 2011 (zaak C‑501/12) en voor het tijdvak van 1 januari 2008 tot en met 31 juli 2011 (zaken C‑503/12 en C‑505/12) een bezoldiging wordt uitbetaald die overeenkomt met de hoogste salaristrap. Voor het tijdvak na 31 juli 2011, de datum waarop is overgegaan op het nieuwe bezoldigingsstelsel, vorderen zij een bezoldiging die gelijk is aan hetgeen zij zouden hebben gekregen indien zij krachtens het BerlBesÜG in de hoogste trap van hun oude salarisgroep waren ingedeeld.
In zaak C‑504/12 betwist Schönefeld de wijze waarop hij in het nieuwe bezoldigingsstelsel is ingedeeld en vordert hij een nabetaling die overeenkomt met het verschil tussen de bezoldiging volgens de daadwerkelijk toegekende salaristrap en de bezoldiging die hij naar zijn mening vanaf 1 augustus 2011 had moeten krijgen.
Ten slotte betwisten Schmeel en Schuster in de zaken C‑540/12 en C‑541/12 de berekening van hun bezoldiging en vorderen zij een nabetaling die overeenkomt met het verschil tussen de bezoldiging overeenkomstig de daadwerkelijk toegekende salaristrap en de bezoldiging overeenkomstig de hoogste salaristrap, en wel voor het tijdvak van 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2009, de datum waarop is overgegaan op de nieuwe bezoldigingsregeling.
Beslissing
Artikel 3, lid 1, sub c, van Richtlijn 2000/78 moet aldus worden uitgelegd dat de beloningsvoorwaarden voor ambtenaren binnen de werkingssfeer van die Richtlijn vallen.
De artikelen 2 en 6, lid 1, van Richtlijn 2000/78 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale maatregel zoals die in de hoofdgedingen, op grond waarvan de trap van het basissalaris van een ambtenaar binnen elke salarisgroep bij zijn aanstelling op basis van zijn leeftijd wordt bepaald.
De artikelen 2 en 6, lid 1, van Richtlijn 2000/78 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling zoals die in de hoofdgedingen, waarbij wordt vastgesteld hoe de ambtenaren die zijn benoemd vóór de inwerkingtreding van die wettelijke regeling in een nieuw bezoldigingsstelsel worden ingedeeld en op grond waarvan enerzijds de salaristrap waarin zij nu worden ingedeeld uitsluitend is gebaseerd op het basissalaris dat zij overeenkomstig het oude bezoldigingsstelsel ontvingen, hoewel dat stelsel discrimineerde op grond van leeftijd van de ambtenaar, en anderzijds de verdere vooruitgang binnen de nieuwe salarisschaal daarna uitsluitend afhankelijk is van de sinds de inwerkingtreding van die wettelijke regeling verworven ervaring.
In omstandigheden zoals die in de hoofdgedingen vereist het Unierecht, en in het bijzonder artikel 17 van Richtlijn 2000/78, niet dat aan gediscrimineerde ambtenaren retroactief een bedrag wordt toegekend ten belope van het verschil tussen de daadwerkelijk ontvangen bezoldiging en de bezoldiging van de hoogste trap in hun salarisgroep.
Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of alle in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie neergelegde voorwaarden zijn vervuld om de Bondsrepubliek Duitsland op grond van het Unierecht aansprakelijk te stellen.
Het Unierecht verzet zich niet tegen een nationale regel zoals die in de hoofdgedingen, op grond waarvan een ambtenaar zijn recht op een betaling die niet rechtstreeks uit de wet voortvloeit, onverwijld, voor het einde van het lopende begrotingsjaar, geldend moet maken, indien die regel het gelijkwaardigheids- en effectiviteitsbeginsel niet schendt. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of die voorwaarden in de hoofdgedingen zijn vervuld.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: EU-HvJ, Thomas Specht e.a. tegen Land Berlin en Bundesrepublik Deutschland, 19/6/2014 – Rolnummer C‑501/12 tot en met C‑506/12, C‑540/12 en C‑541/12
Wetgeving:
- EU-Kaderrichtlijn 2000/78/EG (27 november 2000)