Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 oktober 2021
Richtlijn 2000/78 moet aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat een blinde persoon elke mogelijkheid wordt ontnomen om de taken van een jurylid in een strafprocedure uit te voeren.
TC en UB tegen Komisia za zashtita ot diskriminatsia en VA (C-824/19)
Feiten
VA is blijvend gedeeltelijk arbeidsongeschikt omdat zij haar gezichtsvermogen is verloren, zoals blijkt uit een in 1976 verricht deskundigenonderzoek. Zij heeft de studie rechtsgeleerdheid voltooid en in 1977 met succes de juridische bekwaamheidsproef afgelegd. Daarna was zij werkzaam bij de blindenvereniging en de Europese Blindenunie
In 2014 werd VA na een door de gemeenteraad van Sofia (Bulgarije) georganiseerde procedure toegelaten als jurylid bij de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije). Zij werd aangesteld bij de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) en bij loting toegewezen aan de zesde strafkamer daarvan, waarin rechter UB en 3 andere juryleden zitting hadden. Zij heeft in die hoedanigheid bij die rechterlijke instantie de eed afgelegd op 25 maart 2015.
In de periode van 25 maart 2015 tot en met 9 augustus 2016 heeft VA aan geen enkele strafzitting deelgenomen. Zij heeft de president van de Sofiyski rayonen sad, te weten TC, in mei 2015 verzocht om aan een andere rechter te worden toegewezen, maar geen antwoord ontvangen.
Op 24 september 2015 heeft VA zich tot de commissie voor de bescherming tegen discriminatie gewend, waarbij zij aanvoerde dat zij op grond van haar handicap was benadeeld door rechter UB, die haar aan geen enkele strafprocedure had laten deelnemen, en door TC, die geen gehoor had gegeven aan haar verzoek om aan een andere rechter te worden toegewezen teneinde haar recht op arbeid als jurylid te kunnen uitoefenen.
TC en UB hebben zich daartegen verweerd door zich met name te beroepen op de aard van de verplichtingen van juryleden, op de noodzaak om over specifieke fysieke kenmerken te beschikken en op het bestaan van een wettelijk doel, te weten de inachtneming van de beginselen van het wetboek van strafvordering, welk doel volgens hen overeenkomstig artikel 7, lid 1, punt 2, van de antidiscriminatiewet rechtvaardigt dat VA verschillend wordt behandeld op grond van een kenmerk dat verband houdt met een handicap.
Beslissing
Artikel 2, lid 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2000/78, gelezen in het licht van de artikelen 21 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, dat namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een blinde persoon elke mogelijkheid wordt ontnomen om de taken van een jurylid in een strafprocedure uit te voeren.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: EU-HvJ, TC en UB tegen Komisia za zashtita ot diskriminatsia en VA, 21/10/2021 – Rolnummer C-824/19
Wetgeving:
- Internationaal verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (12 december 2006) en facultatief protocol (13 december 2006) (officiële Engelstalige versie op de website van de VN)
- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (7 december 2000)
- EU-Kaderrichtlijn 2000/78/EG (27 november 2000)