Ga verder naar de inhoud

Hof van Justitie van de Europese Unie, 28 januari 2015

Richtlijn 2000/78 verzet zich  tegen een nationale regeling die om een einde te maken aan discriminatie op grond van leeftijd, vóór de leeftijd van 18 jaar vervulde tijdvakken van arbeid meetelt, maar tegelijkertijd een regel bevat, die in werkelijkheid slechts op ambtenaren van toepassing is die het slachtoffer zijn van die discriminatie, volgens welke het voor bevordering vereiste tijdvak in elk van de eerste 3 salaristrappen met 1 jaar wordt verlengd, waardoor een verschil in behandeling op grond van leeftijd definitief wordt gehandhaafd.

Gepubliceerd op: 28/01/2015
Domeinen: Arbeid
Beschermde kenmerken: Leeftijdsdiscriminatie (agisme)
Rechtsinbreuk(en): Discriminatie (burgerrechtelijk), Directe discriminatie
Rechtsmacht: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rechtsgebied: Europese Unie
Unia (burgerlijke) partij: neen

ÖBB Personenverkehr AG tegen Gotthard Starjakob (C-417/13)

Feiten

Het beloningsstelsel voor ÖBB-medewerkers berust op een systeem van bevordering op grond waarvan de beloning stijgt bij het verstrijken van bepaalde tijdvakken waarin de medewerker anciënniteit opbouwt. Deze tijdvakken gaan in op een peildatum voor bevordering, die individueel wordt vastgesteld. Ook tijdvakken vóór de indiensttreding bij ÖBB worden in dit kader meegeteld. De peildatum voor het stijgen in salaristrappen is zodoende een fictieve datum die de indeling in een salaristrap en het vertrekpunt voor salarisstijgingen bepaalt. Deze datum wordt vastgesteld aan de hand van de daadwerkelijke indiensttredingsdatum en de relevant geachte ervaring. Hoe groter de ervaring, hoe eerder de datum en hoe hoger de salaristrap waarin men wordt ingedeeld.

Uit het arrest Hütter blijkt dat de Oostenrijkse wetgever een nieuw stelsel wenste in te voeren, waarin de diensttijd vóór de leeftijd van 18 jaar kon worden meegeteld, hetgeen voorheen niet mogelijk was. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 53a BBG kan worden afgeleid dat de Oostenrijkse wetgever de hervorming van het overheidsapparaat op federaal niveau wilde uitbreiden tot de ÖBB-medewerkers.

De doelstelling van de wetgever was zodoende het opheffen van de leeftijdsdiscriminatie vanwege het niet-meetellen van de diensttijd van ÖBB-medewerkers voor hun 18e jaar. Het nieuwe stelsel voorziet echter in een verlenging van de voor bevordering vereiste periode in de eerste 3 trappen met telkens 1 jaar, om het voor de werkgever kostenneutraal te houden. Daarnaast is in het nieuwe stelsel een nieuwe bepaling van de peildatum uitsluitend mogelijk op grond van door de werknemer verstrekt bewijs van eerdere diensttijd.

Beslissing

Het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 2 en 6, lid 1, van Richtlijn 2000/78 moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als in het hoofdgeding, die om een einde te maken aan discriminatie op grond van leeftijd, vóór de leeftijd van 18 jaar vervulde tijdvakken van arbeid meetelt, maar tegelijkertijd een regel bevat, die in werkelijkheid slechts op ambtenaren van toepassing is die het slachtoffer zijn van die discriminatie, volgens welke het voor bevordering vereiste tijdvak in elk van de eerste 3 salaristrappen met 1 jaar wordt verlengd, waardoor een verschil in behandeling op grond van leeftijd definitief wordt gehandhaafd.

Het Unierecht, in het bijzonder artikel 16 van Richtlijn 2000/78, moet aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling waarmee wordt beoogd een einde te maken aan discriminatie op grond van leeftijd, een ambtenaar wiens vóór de leeftijd van 18 jaar vervulde diensttijd niet is meegeteld bij de berekening van zijn bevordering, niet noodzakelijkerwijs de mogelijkheid moet bieden een financiële compensatie te ontvangen ten belope van het verschil tussen het salaris dat hij zonder een dergelijke discriminatie zou hebben ontvangen en het salaris dat hij daadwerkelijk heeft ontvangen. In een geval als in het hoofdgeding kan, zolang er geen stelsel is ingevoerd dat de leeftijdsdiscriminatie opheft in overeenstemming met Richtlijn 2000/78, de gelijke behandeling evenwel alleen worden hersteld door de ambtenaren die hun beroepservaring – al is het maar voor een deel – vóór de leeftijd van 18 jaar hebben verworven, de voordelen toe te kennen die de ambtenaren die na het bereiken van die leeftijd gelijkaardige beroepservaring van vergelijkbare duur hebben verworven, konden genieten met betrekking tot de meetelling van vóór de leeftijd van 18 jaar vervulde opleidings- en diensttijdvakken, maar ook met betrekking tot het stijgen in salaristrappen.

Het Unierecht, in het bijzonder artikel 16 van Richtlijn 2000/78, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat de nationale wetgever, met het oog op de meetelling van vóór de leeftijd van 18 jaar vervulde opleidings- en diensttijdvakken, voorziet in een verplichting tot medewerking volgens welke de ambtenaar zijn werkgever het bewijs van die tijdvakken moet leveren. De weigering van een ambtenaar om zijn medewerking te verlenen voor de toepassing van een nationale regeling als in het hoofdgeding, die een met Richtlijn 2000/78 strijdige discriminatie op grond van leeftijd inhoudt, en zijn vordering tot betaling om de gelijke behandeling met de ambtenaren die na het bereiken van die leeftijd gelijkaardige beroepservaring van vergelijkbare duur hebben verworven te herstellen, vormen evenwel geen rechtsmisbruik.

Het doeltreffendheidsbeginsel moet aldus worden uitgelegd dat het zich in een geval als in het hoofdgeding niet ertegen verzet dat een nationale verjaringstermijn voor aan het Unierecht ontleende rechten ingaat vóór de uitspraak van een arrest van het Hof waarbij de rechtssituatie op dit gebied wordt opgehelderd.

Unia was geen betrokken partij.

Afgekort: EU-HvJ, ÖBB Personenverkehr AG tegen Gotthard Starjakob, 28/1/2015 – Rolnummer C-417/13

Wetgeving:

 

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?