Arbeidshof Brussel (Franstalig), 27 juni 2025
Een man wordt ontslagen en meent dat er sprake is van discriminatie op grond van zijn handicap/gezondheidstoestand, seksuele oriëntatie, religie en (Griekse) origine. In navolging van de arbeidsrechtbank wijst het arbeidshof de vordering af omdat de man geen vermoeden van discriminatie kan aantonen.
Feiten
Een man werkt als administratief bediende bij het OCMW, maar wordt ontslagen. Er worden allerlei redenen vermeld voor het ontslag: de man heeft kritiek op zijn hiërarchische meerderen, verstoort de goede werking van de dienst, volgt zijn dossiers niet op, is agressief ... De werkgever dient na het ontslag zelfs een klacht tegen hem in bij het openbaar ministerie wegens belaging, bedreiging, intimidatie en beledigingen tegenover zijn collega's en hiërarchische meerderen.
De man oordeelt dat er sprake is van discriminatie op basis van zijn handicap/gezondheidstoestand, seksuele oriëntatie, religie en origine en vraagt 4 forfaitaire schadevergoedingen van 6 maanden brutoloon. Hij meent dat zijn ontslag ook verband hield met de formele klachten die hij indiende tegen zijn werkgever.
Beslissing
De discriminatie op basis van zijn handicap/gezondheidstoestand brengt de man in verband met het feit dat hij omwille van gezondheidsproblemen gevaar liep tijdens de covid-pandemie. Daarnaast meent de man dat hij werd gediscrimineerd omdat hij homoseksueel is. Ten slotte stelt de man dat hij van Griekse origine is en moest samenwerken met Maghrebijnse/islamitische collega's.
Het arbeidshof oordeelt dat de man geen feiten kan aantonen die een vermoeden van discriminatie kunnen staven. Het arbeidshof wijst er bijvoorbeeld op dat de man tijdens de covid-pandemie van thuis uit mocht werken (en dat hij dus redelijke aanpassingen kreeg) en dat hij enkel beschikt over eigen verklaringen.
In navolging van de arbeidsrechtbank oordeelt het arbeidshof dat de vordering van de man ongegrond is.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: Arbh. Brussel (Fr.), 27/6/2025 - Rolnummer 2024/AB/334