Arbeidsrechtbank Brussel (Franstalig), 19 april 2010
Een arbeider vraagt aan zijn voormalige werkgever een schadevergoeding van 25.000 euro omdat die niet adequaat zou hebbend gereageerd op pesterijen waarvan hij het slachtoffer werd. De arbeidsrechtbank oordeelt dat de man geen bewijzen aanbrengt van de pesterijen en wijst het verzoek af.
[Deze beslissing werd verkregen dankzij de inzameling van rechtspraak door de onderzoekers van het project 'Discriminatie bestrijden via het recht: de Belgische ervaring ter zake' (PDR T.0197.19), gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) en gecoördineerd door Julie Ringelheim en Jogchum Vrielink.]
Feiten
Een arbeider meent dat hij slachtoffer is van pesterijen op het werk. Hij dient hierover een klacht in. Op een bepaald ogenblik wordt hij overgeplaatst naar een andere afdeling. Nog later wordt hij ontslagen wegens veelvuldige afwezigheden.
De man eist een schadevergoeding van 25.000 euro van zijn voormalige werkgever. Hij meent dat zijn voormalige werkgever niet gepast reageerde op de pesterijen.
Beslissing
De arbeidsrechtbank oordeelt dat het verzoek van de man ongegrond is.
De arbeider verwijst naar een lange reeks van pesterijen, maar brengt hiervan geen enkel bewijs aan. Evenmin kan hij een verband aantonen tussen de pesterijen waarvan hij beweert het slachtoffer te zijn geweest en de schade die hij daardoor leed.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: Arbrb. Brussel (Fr.), 19/4/2010
Wetgeving:
- Artikel 1134, artikel 1382 en artikel 1384 Burgerlijk Wetboek
- Artikel 20 Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten (3 juli 1978)