Arbeidsrechtbank Brussel (Franstalig), 26 oktober 2015
Een arbeider werd ontslagen en meent dat hij werd gediscrimineerd op grond van een handicap. De arbeidsrechtbank oordeelt dat het verzoek ongegrond is.
[Deze beslissing werd verkregen dankzij de inzameling van rechtspraak door de onderzoekers van het project 'Discriminatie bestrijden via het recht: de Belgische ervaring ter zake' (PDR T.0197.19), gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) en gecoördineerd door Julie Ringelheim en Jogchum Vrielink.]
Feiten
Een arbeider kreeg verschillende verwittigingen omdat hij veelvuldig afwezig was en te laat kwam. Er waren ook opmerkingen over zijn gedrag op de werkvloer. De man werd uiteindelijk ontslagen en meende dat hij werd gediscrimineerd op grond van een handicap. De man verwees naar het feit dat de arbeidsgeneesheer hem ongeschikt had bevonden om gedurende 2 weken bepaalde taken uit te voeren.
Beslissing
De arbeidsrechtbank stelt vast dat er geen sprake is van een langdurige beperking en dat het beschermd criterium handicap niet kan worden ingeroepen.
Er kan geen discriminatie worden vastgesteld.
Aandachtspunt
De man had bij de politie een klacht ingediend wegens pesterijen op het werk. Hij riep de bescherming in tegen represailles op grond van de welzijnswet. De welzijnswet bepaalt evenwel dat de werkgever zo snel mogelijk op de hoogte moet worden gebracht van een klacht (artikel 32terdecies, § 6 welzijnswet). De man kon enkel aantonen dat een syndicale afgevaardigde contact had opgenomen met de vertrouwenspersoon (met de vraag om een onderhoud te organiseren met de man). Er was volgens de arbeidsrechtbank niet voldaan aan de informatieverplichting aan de werkgever.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: Arbrb. Brussel (Fr.), 26/10/2015 -Rolnummer 14/6543/A