Arbeidsrechtbank Brussel (Franstalig), 29 juni 2016
Een vrouw werkt als familiehulp. Ze is lid van de Getuigen van Jehovah en mengt dit lidmaatschap met haar professionele activiteiten. Dat leidt tot haar ontslag om dringende reden.
[Deze beslissing werd verkregen dankzij de inzameling van rechtspraak door de onderzoekers van het project 'Discriminatie bestrijden via het recht: de Belgische ervaring ter zake' (PDR T.0197.19), gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) en gecoördineerd door Julie Ringelheim en Jogchum Vrielink.]
Feiten
Een vrouw werkte als familiehulp bij een vzw. Ze werd ontslagen om dringende reden. De werkgever verweet haar onder meer dat ze op zondag herhaaldelijk een bezoek bracht aan een gebruiker van de diensten van de vzw in het kader van haar lidmaatschap van de Getuigen van Jehovah. Tijdens die bezoeken was ze vergezeld van kinderen, waaronder een kind met een handicap, en vroeg ze eten voor de kinderen.
Beslissing
De arbeidsrechtbank oordeelt dat de vrouw geen feiten kan aantonen die discriminatie op grond van gender of geloofsovertuiging kunnen doen vermoeden.
De beslissing om haar te ontslaan had niets te maken met haar geloofsovertuiging en haar lidmaatschap van de Getuigen van Jehovah, maar wel met het feit dat ze haar privé-activiteiten mengde met haar professionele activiteiten. Mocht ze dezelfde zaken hebben gedaan, maar dan buiten het kader van een geloofsovertuiging, dan zou ze ook ontslagen zijn geweest.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: Arbrb. Brussel (Fr.), 29/6/2016 - Rolnummer 14/7695/A