Arbeidsrechtbank Brussel (Franstalig), 3 maart 2017
Een vuilnisophaler wordt ontslagen na een aanvaring met een hiërarchische verantwoordelijke. Hij meent dat hij het slachtoffer is van pesterijen en discriminatie. De arbeidsrechtbank oordeelt dat de man geen feiten kan aanvoeren die een vermoeden van pesterijen en discriminatie kunnen staven.
[Deze beslissing werd verkregen dankzij de inzameling van rechtspraak door de onderzoekers van het project 'Discriminatie bestrijden via het recht: de Belgische ervaring ter zake' (PDR T.0197.19), gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) en gecoördineerd door Julie Ringelheim en Jogchum Vrielink.]
[Waarschuwing: deze uitspraak kan kwetsend taalgebruik bevatten.]
Feiten
Een man werkt bij de vuilnisophaling als lader-veger en is ook vakbondsafgevaardigde. Hij voert zijn taken niet conform de instructies uit. Dat leidt op een bepaald ogenblik tot een zware aanvaring met zijn hiërarchische verantwoordelijke. Hij wordt ontslagen omwille van zijn "disproportioneel, dreigend en agressief gedrag tegenover een lid van de hiërarchie en dit in het openbaar".
Anderzijds maakt de man gewag van pesterijen en discriminatie vanwege zijn hiërarchische verantwoordelijke. Hij diende daarvoor verschillende malen een klacht in bij de politie.
Beslissing
De arbeidsrechtbank oordeelt dat de man geen feiten kan aanvoeren die het bestaan van discriminatie omwille van zijn origine of syndicale overtuiging kunnen doen vermoeden. Er werd geen klacht ingediend bij de preventieadviseur. De klachten bij de politie werden geseponeerd en het is ook niet duidelijk waarover ze gingen.
De vordering van de man is volgens de arbeidsrechtbank ongegrond.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: Arbrb. Brussel (Fr.), 3/3/2017 - rolnummer 16/3921/A