Arbeidsrechtbank Brussel (Franstalig), 5 januari 2026
Nadat de gsm van een bewoonster in een woonzorgcentrum wordt gestolen, blijkt dat even later met die gsm naar Rwanda is gebeld. De werkgever ontslaat vervolgens een hulpverpleegkundige van Rwandese origine. De arbeidsrechtbank oordeelt dat het ontslag van de hulpverpleegkundige discriminatoir is (op basis van haar nationale afkomst).
Feiten
Een vrouw werkte in een woonzorgcentrum als hulpverpleegkundige. Ze doorliep er een vlekkeloos parcours. Toch werd ze op staande voet ontslagen nadat de directie haar verdacht van het stelen van een gsm van een bewoonster. De hulpverpleegkundige was van Rwandese origine en na de diefstal werd met de gsm getelefoneerd naar Rwanda. De strafrechtelijke klacht met betrekking tot de diefstal werd evenwel geseponeerd.
De vrouw nam contact op met Unia. Volgens Unia was er sprake van discriminatie op grond van nationale afstamming. Nadat de vrouw professioneel advies had ingewonnen, kwam de werkgever met een nieuwe versie op de proppen. De werkgever ontkende elke vorm van discriminatie of racisme en stelde dat het ontslag het gevolg was van de houding van de vrouw tijdens het gesprek over de diefstal.
Beslissing
De arbeidsrechtbank stelt eerst en vooral vast dat er een vermoeden is van directe discriminatie op basis van de nationale afstamming van de vrouw. De werkgever had de mogelijk periode van de diefstal beperkt tot de werkuren van de vrouw, enkel de vrouw werd verhoord en ze werd tegenover de politie omschreven als "iemand met veel contacten in Rwanda".
De werkgever kon vervolgens dit vermoeden niet weerleggen. De arbeidsrechtbank wees erop dat de werkgever een bocht van 180° had gemaakt nadat de vrouw professioneel advies had ingewonnen en plots begon te verwijzen naar de houding van de vrouw tijdens het gesprek over de diefstal. De arbeidsrechtbank merkte ook op dat de ontslagbrief al werd opgesteld vooraleer het gesprek over de diefstal plaatsvond.
De arbeidsrechtbank besloot dat de vrouw werd gediscrimineerd op basis van haar nationale afstamming en kende de forfaitaire schadevergoeding toe van 6 maanden brutoloon.
Unia was geen betrokken partij in de rechtszaak. Het vonnis is definitief.
Afgekort: Arbrb. Brussel (Fr.), 5/1/2026 - Rolnummer 24/2951/A