Ga verder naar de inhoud

Arbeidsrechtbank Leuven, 11 april 2019

Een cao bepaalt dat lange periodes van inactiviteit meetellen als effectieve beroepsprestaties voor het bepalen van de anciënniteit en het loon. Volgens de arbeidsrechtbank is dat niet redelijk verantwoord en de discriminatoire bepalingen uit de cao's worden nietig verklaard.

[Deze beslissing werd verkregen dankzij de inzameling van rechtspraak door de onderzoekers van het project 'Discriminatie bestrijden via het recht: de Belgische ervaring ter zake' (PDR T.0197.19), gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) en gecoördineerd door Julie Ringelheim en Jogchum Vrielink.]

Gepubliceerd op: 11/04/2019
Domeinen: Sociale bescherming, Arbeid
Beschermde kenmerken: Leeftijdsdiscriminatie (agisme)
Rechtsinbreuk(en): Discriminatie (burgerrechtelijk), Indirecte discriminatie
Rechtsmacht: Arbeidsrechtbank
Rechtsgebied: Leuven
Unia (burgerlijke) partij: neen

Feiten

Een werknemer meent dat zijn anciënniteit en loon niet correct werd berekend. Hij verwijst daarbij naar cao's waarin het begrip beroepservaring wordt gedefinieerd. Maar in deze cao's wordt het begrip beroepservaring zeer ruim uitgelegd. Zowat elke tewerkstelling komt in aanmerking, ook als het gaat om een tewerkstelling van slechts enkele uren per week. Bovendien worden zeer lange periodes van inactiviteit (bijvoorbeeld wegens ziekte of ongeval) gelijkgesteld met beroepservaring.

Beslissing

De arbeidsrechtbank oordeelt dat het begrip beroepservaring uit de cao's veel verder gaat dan wat is toegelaten op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (arrest Hütter van 18 juni 2009, nr. C-88/08 en arrest Hennigs en Mai van 8 september 2011, nr. C-297/10). Het belonen van de beroepservaring beantwoordt weliswaar aan een legitiem doel, maar het moet dan wel gaan om beroepservaring die de werknemer in staat stelt om zijn werk beter uit te voeren.

Het in aanmerking nemen van beroepservaring (eventueel via anciënniteit) vormt een indirect onderscheid op grond van leeftijd. Een dergelijk onderscheid vormt een indirecte discriminatie, behalve wanneer het onderscheid kan worden gerechtvaardigd. Dat is volgens de arbeidsrechtbank niet het geval. De desbetreffende discriminatoire bepalingen uit de cao's zijn nietig

De cao's werden algemeen verbindend verklaard bij Koninklijk Besluit. In artikel 159 van de Grondwet staat dat de hoven en rechtbanken de Koninklijke Besluiten alleen mogen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Het Koninklijk Besluit dat de cao's algemeen verbindend heeft verklaard, moet dus buiten toepassing worden gelaten. De cao's dienen als niet algemeen verbindend te worden beschouwd.

Van niet algemeen verbindend verklaarde cao's kan worden afgeweken bij schriftelijke overeenkomst (artikel 26 cao-wet). Dat was in deze zaak het geval. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst werden afspraken opgenomen over het loon en die afspraken werden door de werkgever geëerbiedigd. 

De vordering van de werknemer werd afgewezen.

Unia was geen betrokken partij.

Afgekort: Arbrb. Leuven, 11/4/2019

Dit vonnis werd gepubliceerd in Rechtspraak Antwerpen, Brussel, Gent 2019/12, p. 1089.

Wetgeving:

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?