Correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, 12 juni 2019
Tijdens een politie-interventie wordt een jonge man geboeid. Terwijl hij op grond ligt, krijgt hij nog een trap tegen het hoofd.
[Waarschuwing: deze uitspraak kan kwetsend taalgebruik bevatten.]
Feiten
Op 10 juni 2016 begaf de lokale politie van Antwerpen zich naar de Columbiastraat op basis van een melding van een oproeper die zou worden achtervolgd door een groep van 10 jongeren. Ter plaatse kon geen slachtoffer worden aangetroffen. De verbalisanten zagen wel jongeren weglopen in verschillende richtingen. Bij de interceptie door een politieambtenaar kwam een jongeman op de grond terecht. Een andere politieambtenaar trapte vrijwillig naar zijn hoofd terwijl hij op de grond lag. Het slachtoffer, 22 jaar oud, minder begaafd en drager van het syndroom van Crouzon maakte deel uit van een groep moslimjongeren die tijdens de ramadan verzamelen in de buurt van het jeugdcentrum Luchtbal.
Een proces-verbaal werd opgemaakt wegens ongewapende weerspannigheid.
Het slachtoffer van het politiegeweld legde klacht neer, met burgerlijke partijstelling, tegen onbekenden. Unia liet zich registreren als benadeelde persoon en vroeg het openbaar ministerie om aandacht te hebben voor de eventuele aanwezigheid van een discriminatiemotief bij de verdachten overeenkomstig de rechtspraak van het EHRM.
Juridische kwalificatie
Het openbaar ministerie vervolgde de beklaagde voor:
- Als openbaar officier of ambtenaar in de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn bediening zonder wettige reden tegen personen geweld te hebben gebruikt of doen gebruiken met de omstandigheid dat de gewelddaden een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan 4 maanden ten gevolge hebben gehad (art. 257, 266, 392, 398 en 400, lid 1 oud Strafwetboek).
Beslissing
De correctionele rechtbank oordeelde dat de misdrijven bewezen waren en onderstreepte dat de feiten ernstig waren en blijk gaven van een gebrek aan respect voor de fysieke en psychische integriteit van anderen.
De politieambtenaar werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar met uitstel voor een periode van 5 jaar (mits naleving van een aantal voorwaarden waaronder het volgen van een cursus agressiebeheersing).
Het slachtoffer ontving een schadevergoeding van 19.422 euro. De deskundige concludeerde in zijn verslag dat er sprake was van verschillende letsels waaronder traumatische ruptuur van de oogbol.
Aandachtspunten
Er was géén expliciet onderzoek naar de eventuele aanwezigheid van een discriminatiemotief bij het geweldsmisdrijf, wat nochtans vereist wordt door de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (meer bepaald in de zaak Turan Cakir tegen België van 10 maart 2009: “La Cour considère que, lorsqu’elles enquêtent sur des incidents violents, les autorités de l’Etat ont de surcroît l’obligation de prendre toutes les mesures raisonnables pour découvrir s’il existait une motivation raciste et pour établir si des sentiments de haine ou des préjugés fondés sur l’origine ethnique ont joué un rôle dans les événements”).
De politie heeft het monopolie van gebruik van geweld met vereiste van strikte noodzakelijkheid en proportionaliteit (art. 37 WPA). Burgers moeten vertrouwen hebben dat de politie rechtmatig en rechtvaardig omgaat met zijn machtspositie.
Het toebrengen van een slag door een inspecteur aan een persoon die zich volledig onder zijn controle bevond, vormt een ernstige aantasting van de waardigheid van een persoon (zaak Bouyid tegen België van 28 september 2015).
De correctionele rechtbank gaf duidelijk aan dat het niet ingaan door het slachtoffer op een confrontatieverhoor met de beklaagde géén schending is van de rechten van de verdediging. De behandeling van de zaak in 3 jaar tijd maakt géén schending uit van de redelijke termijn in strafzaken.
Er vond een confrontatieverhoor plaats tussen politieambtenaren. Onderzoek toonde aan dat een politieambtenaar onder morele druk van de beklaagde zijn initiële verklaring had aangepast.
Uit het overzicht van de rechterlijke beslissingen, uitgesproken tussen 2013 en 2017, waarin leden van de politie werden vervolgd voor geweld, blijkt dat niet vaak gevangenisstraffen met uitstel worden opgelegd (zie Cahiers 33 van het Comité P dat handelt over rechterlijke beslissingen over politiegeweld).
Unia was betrokken partij.