Ga verder naar de inhoud

Correctionele rechtbank Luxemburg, afdeling Neufchâteau, 28 mei 2026

Een politieagent die niet in dienst was en onder invloed was, heeft een klant in een café meerdere keren een klap gegeven en hem op racistische wijze beledigd na een geschil over een identiteitscontrole.

[Waarschuwing: deze uitspraak kan kwetsend taalgebruik bevatten.]

Gepubliceerd op: 28/05/2026
Domeinen: Politie en justitie
Beschermde kenmerken: Racisme
Rechtsinbreuk(en): Haatmisdrijf, Slagen en verwondingen
Rechtsmacht: Correctionele rechtbank
Rechtsgebied: Luxemburg
Unia (burgerlijke) partij: neen

Feiten

Op 21 december 2023 bevindt de beklaagde, een politieagent, zich buiten diensttijd in een café in gezelschap van collega's. Hoewel hij duidelijk dronken is, wil hij de identiteit van een klant controleren omdat hij denkt dat het café door drugsdealers wordt bezocht. De klant weigert dit en filmt de scène. De beklaagde gooit de telefoon op de toog, geeft het slachtoffer meerdere klappen en noemt hem een "vuile neger”. 

Rechtskwalificatie

Het Openbaar Ministerie had de beklaagde vervolgd wegens:

  • Opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen met arbeidsongeschiktheid van minder dan 4 maanden (artikelen 398 en 399 van het oude Wetboek van Strafrecht)
  • Gebruik van geweld door een openbaar ambtenaar tijdens of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn functie (artikelen 257 en 398 van het oude Wetboek van Strafrecht)
  • Vernieling van roerende goederen (artikel 559 van het oude Wetboek van Strafrecht)

Uitspraak

De correctionele rechtbank heeft de tenlasteleggingen als bewezen beschouwd, maar zal de feiten anders kwalificeren om het discriminerende motief aan te merken als verzwarende omstandigheid bij de mishandeling en als verzwarende factor bij de beschadiging van roerende goederen.
Volgens de rechtbank blijkt het discriminerende motief uit het feit dat het slachtoffer de enige persoon in het café was die een identiteitscontrole moest ondergaan en daarbij racistische opmerkingen te verduren kreeg.

De beklaagde werd veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf en een boete van 1.600 euro. Wat de gevangenisstraf betreft, werd een voorwaardelijke straf met een proeftijd van 3 jaar opgelegd. Ook de geldboete is voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, maar dit geldt slechts voor de helft van de straf.

Het slachtoffer had zich burgerlijke partij gesteld en kreeg een schadevergoeding van 3.370 euro.  

De beklaagde is in beroep gegaan tegen de uitspraak.

Aandachtspunten

  • Hoewel het Openbaar Ministerie hier aanvankelijk geen aandacht aan had besteed, heeft de rechtbank het discriminerende motief in aanmerking genomen, waarbij zij erop wees dat dit motief niet per se het enige motief van de dader hoeft te zijn en waarbij zij de context van de feiten zorgvuldig heeft geanalyseerd.
  • De rechtbank wijst ook op het verschil tussen het discriminerende motief als algemene verzwarende omstandigheid bij elk strafbaar feit (artikel 78ter van het oude Wetboek van Strafrecht) en als verzwarende omstandigheid bij bepaalde strafbare feiten (bijv. artikel 405quater van het Wetboek van Strafrecht).

Unia was geen partij in de zaak.

Afgekort: Corr. Luxemburg, afd. Neufchâteau, 28 mei 2026 – Rol nr. 24N000494
 

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?