Correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, 11 mei 2026
Op 28 februari 2022 vond in Aalst een incident plaats waarbij een minderjarig Afrikaans meisje fysiek geweld onderging. De verklaringen van het slachtoffer dat dit gepaard ging met racistische beledigingen en de mogelijke antecedenten van de beklaagde volstonden op zichzelf niet om een discriminerende drijfveer aan te tonen. De correctionele rechtbank nam dan ook enkel de minderjarigheid van het slachtoffer aan als strafverzwarende omstandigheid.
[Waarschuwing: deze uitspraak kan kwetsend taalgebruik bevatten.]
Feiten
Een 12-jarig Afrikaans meisje speelt op 28 februari 2022 met haar broertjes van 5 en 6 jaar op een speelplein in Aalst. De bal belandt bij een andere groep kinderen die deze weigeren terug te geven. Het meisje tracht de bal terug te krijgen waarop de situatie escaleerde. Een van de jongeren en diens vader die tussenkwam, zouden haar volens het meisje 'vuile zwarte' en 'makak' genoemd hebben. De vader trok daarbij aan het haar van het meisje en gaf haar een trap. Het conflict eindigt na tussenkomst van een buurtbewoner die het geweld bevestigde maar de racistische uitlatingen niet gehoord zou hebben. De moeder liet de verwondingen medisch vaststellen en diende klacht in bij de politie. Het parket seponeerde aanvankelijk de zaak. Unia stelde zich samen met de moeder burgerlijke partij en vroeg de discriminerende drijfveer te erkennen.
Juridische kwalificatie
- Het openbaar ministerie vervolgde de beklaagde voor :
opzettelijke slagen en verwondingen (art. 392 en 398 lid 1 oud Strafwetboek) met verzwarende omstandigheid dat de feiten gepleegd zijn ten aanzien van een minderjarige (art. 100ter en 405bis, 1° Sw).
Beslissing
De rechtbank oordeelde dat de feiten van opzettelijke slagen en verwondingen en de minderjarigheid van het slachtoffer bewezen zijn.
Enkel de verklaring van het slachtoffer en de mogelijke antecedenten van de beklaagde waren onvoldoende bewijs om een discriminerende drijfveer te onderbouwen.
De rechtbank legde een werkstraf van 50 uur op, met een vervangende gevangenisstraf van 5 maanden bij niet‑uitvoering, en een geldboete van 240 euro.
Op burgerlijk vlak verklaarde de rechtbank de vordering van de moeder ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Zij kende een schadevergoeding toe van 500 euro in eigen naam en 500 euro als vertegenwoordiger van de minderjarige, te vermeerderen met intresten. Het bedrag voor de minderjarige wordt op een geblokkeerde rekening geplaatst tot haar meerderjarigheid.
De rechtbank verklaarde de burgerlijke vordering van Unia onontvankelijk.
Aandachtspunten
De uitspraak illustreert de bewijsvereisten voor de erkenning van een discriminerende drijfveer in strafzaken.
De verklaringen van het slachtoffer, zelfs gecombineerd met een eventueel antecedent, blijven onvoldoende om juridisch het bestaan van een haatmotief vast te stellen.
Unia was betrokken partij.
Afgekort: Corr. O.-Vl., afd. Dendermonde, 11 mei 2026 - Rolnr. 25D003470