Ga verder naar de inhoud

Correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 13 april 2026

Verschillende jongeren werden veroordeeld voor het binnendringen van de woning van een homoseksueel koppel en het toebrengen van slagen en verwondingen in het kader van een zogenaamde 'pedo-hunt'. Omdat zij ervan uitgingen dat de slachtoffers pedoseksueel zouden zijn en niet met zekerheid vaststond wie van de daders ook homofobe uitlatingen deed, kon de rechtbank echter geen toepassing maken van de discriminerende drijfveer op grond van seksuele oriëntatie. 

[Waarschuwing: deze uitspraak kan kwetsend taalgebruik bevatten.]

Gepubliceerd op: 13/04/2026
Domeinen: Samenleving
Beschermde kenmerken: Discriminatie op basis van seksuele oriëntatie
Rechtsinbreuk(en): Haatmisdrijf, Slagen en verwondingen
Rechtsmacht: Correctionele rechtbank
Rechtsgebied: Gent
Unia (burgerlijke) partij: ja

Feiten 

In augustus 2024 drong een jongerenbende, tot tweemaal toe, onrechtmatig de woning binnen van een getrouwd koppel mannen. Zij trapten de voordeur in en betraden de woning zonder toestemming. Tijdens de tweede nacht kwam het tot fysiek geweld. De bewoners kregen slagen en schoppen en liepen ernstige verwondingen op, waaronder een gebroken enkel, rib en duim, met langdurige arbeidsongeschiktheid tot gevolg. De daders gooiden nadien ook een steen door het raam van de woning. De feiten kaderden in geruchten dat op het adres een “pedo” zou wonen. Tijdens de feiten klonken ook homofobe uitlatingen zoals “vuile homo”. In dezelfde periode pleegde de groep bijkomende feiten van vandalisme en vernieling van voertuigen en andere eigendommen in Eeklo en Lievegem. 

Juridische kwalificatie

Het openbaar ministerie vervolgde de beklaagden voor:

  • opzettelijke slagen en verwondingen met ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge (artikel 399 oud Strafwetboek) met discriminerende drijfveer als verzwarende omstandigheid (artikel 405quater oud Strafwetboek)
  • onrechtmatig binnendringen in een bewoond pand door middel van braak (art. 439 e.v. oud Sw.) met discriminerende drijfveer als verzwarende omstandigheid (artikel 438bis oud Strafwetboek)
  • vernieling van motorvoertuigen en andere roerende eigendommen (artikelen 521 en 559,1° oud Sw.)
  • deelname aan een vereniging met het oogmerk wanbedrijven te plegen (art. 322  e.v. oud Sw.)
  • ongewapende weerspannigheid en slagen tegen politieambtenaren (art. 269 e.v. en art. 280 jo. 392, 398, 299 oud Sw.)
  • opzettelijke slagen en verwondingen gepleegd op een minderjarige (art. 392, 398 oud Sw. met toepassing van art. 100ter en art. 405bis, 1° oud Sw.)

De tenlasteleggingen omvatten ook verzwarende omstandigheden, waaronder een discriminerende drijfveer op grond van seksuele oriëntatie (art. 405quater oud Sw. en art. 438bis Sw.), voorbedachtheid en handelen in vereniging.

Beslissing

De rechtbank achtte bewezen dat de beklaagden onrechtmatig de woning binnendrongen en opzettelijke slagen en verwondingen toebrachten met voorbedachten rade en in vereniging. Ook de overige feiten van vernieling, bendevorming, weerspannigheid en bijkomende geweldsfeiten achtte zij bewezen op basis van verklaringen, medische attesten en camerabeelden.

De rechtbank oordeelde evenwel dat de verzwarende omstandigheid van een discriminerende drijfveer op grond van seksuele oriëntatie niet bewezen was. De feiten waren ingegeven door de veronderstelling dat de slachtoffers pedoseksueel zouden zijn. Haat of vijandigheid tegenover (vermeende) pedoseksuelen vormt geen strafbare discriminerende drijfveer in de zin van art. 405quater Sw. en art. 438bis Sw. Hoewel er bij deze feiten ook homofobe uitlatingen gebeurden, kon de rechtbank niet met zekerheid bepalen welke beklaagde deze uitspraken deed, zodat geen individuele toerekening mogelijk was.

De beklaagden kregen gevangenisstraffen en geldboetes opgelegd, al dan niet met probatie‑uitstel, afhankelijk van hun persoonlijke situatie en probleeminzicht. Op burgerrechtelijk vlak werden zij hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de materiële en morele schade van de slachtoffers. De burgerlijke vordering van Unia werd afgewezen omdat de homofobe drijfveer niet aangetoond werd.

Aandachtspunten

De rechtbank bevestigt dat vijandigheid tegenover pedoseksuele personen geen beschermde discriminatiegrond vormt onder art. 405quater Sw. en art. 438bis Sw.

Homofobe taal tijdens de feiten volstaat op zich niet om een discriminerende drijfveer vast te stellen. De drijfveer moet objectief en individueel bewezen zijn.

De redenering van Unia dat “pedohunting” vaak samenhangt met homofoob geweld werd in deze zaak niet gevolgd, omdat het dossier geen bewijs leverde dat de homoseksuele geaardheid van de slachtoffers het motief vormde.

De uitspraak illustreert een strikte en terughoudende toepassing van de verzwarende discriminatie‑drijfveren in het strafrecht.

Unia was betrokken partij.

Afgekort: Rb. Oost‑Vl., afd. Gent, 13/4/2026 – Rolnr. 24G002956

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?