Correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 16 november 2020
Enkele beklaagden van Turkse afkomst stonden terecht voor het posten van berichten op de sociale media waarin werd opgeroepen tot haat en geweld, het aanbrengen van graffiti en het beschadigen van een gebouw van de vzw Fedactio, een koepel van verenigingen van de Gülen-beweging in België.
[Waarschuwing: deze uitspraak kan kwetsend taalgebruik bevatten.]
Feiten
19 beklaagden van Turkse afkomst stonden terecht voor het posten van berichten op de sociale media waarin werd opgeroepen tot haat en geweld, voor het aanbrengen van graffiti en voor het beschadigen van een gebouw van de vzw Fedactio, een koepel van verenigingen verbonden aan de Gülen-beweging in België. De teksten die werden aangebracht waren onder meer: “Wij willen jullie niet in deze wijk, jullie lafaards” en “Wij willen jullie niet FETO-terroristen. Honden, wij willen jullie niet” (waarbij FETO staat voor Fetullah Terrorist Organization).
De feiten vonden plaats nadat de Turkse president Erdogan en zijn aanhangers, na een mislukte poging tot staatsgreep in 2016, hadden opgeroepen om volgelingen van de Gülen-beweging te vervolgen en aan te pakken. Die oproep vond ook gehoor in België.
Zowel de vzw Fedactio als Unia waren burgerlijke partij in de zaak.
Juridische kwalificatie
Het openbaar ministerie vervolgde de beklaagden voor:
- Aanzetten tot haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan (artikel 22, 4° antidiscriminatiewet 2007 – thans artikel 250, 4° Strafwetboek).
- Graffiti (artikel 534bis oud Strafwetboek) met discriminerende drijfveer als verzwarende omstandigheid (artikel 534quater oud Strafwetboek).
- Beschadiging van onroerende eigendommen (artikel 534ter oud Strafwetboek) met discriminerende drijfveer als verzwarende omstandigheid (artikel 534quater oud Strafwetboek).
Beslissing
De correctionele rechtbank verklaarde zich onbevoegd om te kunnen oordelen over de berichten waarin werd opgeroepen tot haat en geweld. Die berichten waren immers drukpersmisdrijven die te maken hebben met de criteria geloof en politieke overtuiging. Daarover moet een hof van assisen oordelen.
De 2 personen die graffiti hadden aangebracht, werden allebei veroordeeld tot een geldboete van 1.200 euro met 3 jaar uitstel voor een gedeelte van 900 euro. Daarbij werd het haatmotief weerhouden: de correctionele rechtbank oordeelde dat de daders hadden gehandeld uit haat, misprijzen of vijandigheid tegenover de aanhangers van de Gülen-beweging.
De persoon die werd vervolgd voor het beschadigen van een gebouw van de vzw Fedactio werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden met 3 jaar uitstel en een geldboete van 1.600 euro met 3 jaar uitstel voor een gedeelte van 800 euro. De correctionele rechtbank weerhield het haatmotief niet omdat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat de dader had gehandeld uit haat, misprijzen of vijandigheid. De dader had verklaard dat hij dronken was op het ogenblik van de feiten en in die toestand had besloten om tot de actie over te gaan.
Unia kreeg een symbolische schadevergoeding van 1 euro toegekend.
Aandachtspunten
Opmerkelijk aan deze zaak is dat ze te maken heeft met het criterium politieke overtuiging, wat zelden voorkomt.
Deze zaak illustreert bijzonder goed hoe moeilijk het is om haatspraak (anders dan racistische) die via de pers worden verspreid, te vervolgen. Na zichzelf onbevoegd te hebben verklaard om te oordelen over het aanzetten tot haat wierp de correctionele rechtbank in Gent de vraag op “of het nog wel te rechtvaardigen is dat bepaalde potentieel strafbare meningsuitingen (met name deze ingegeven door racisme of xenofobie) voor de (makkelijker toegankelijke) correctionele rechtbank kunnen worden gebracht, terwijl voor andere potentieel strafbare meningsuitingen een hof van assisen dient te worden samengesteld, wat in de praktijk vaak neerkomt op depenalisering.” De rechtbank wees in dat verband ook nog op het ontstaan van allerlei online mediaplatformen waardoor “het bijzonder gemakkelijk is geworden om in alle anonimiteit potentieel strafbare gedachten te verspreiden”.
Unia was betrokken partij.