Ga verder naar de inhoud

Grondwettelijk Hof, 25 mei 2016

Het Grondwettelijk Hof beoordeelt in dit arrest de bepalingen uit de seksismewet van 22 mei 2014.

Gepubliceerd op: 25/05/2016
Domeinen: Samenleving
Beschermde kenmerken: Discriminatie op basis van geslacht (of gender)
Rechtsinbreuk(en): Seksisme
Rechtsmacht: Grondwettelijk Hof
Rechtsgebied: België
Unia (burgerlijke) partij: neen

Feiten

De seksismewet van 22 mei 2014 bestraft seksisme in de openbare ruimte. De wet definieert seksisme als: "Elk gebaar of handeling die, in de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden, klaarblijkelijk bedoeld is om minachting uit te drukken jegens een persoon wegens zijn geslacht, of deze, om dezelfde reden, als minderwaardig te beschouwen of te reduceren tot diens geslachtelijke dimensie en die een ernstige aantasting van de waardigheid van deze persoon ten gevolge heeft."

Aan het Grondwettelijk Hof werd gevraagd om de artikelen 2 en 3 van deze wet te vernietigen.

Beslissing

Het Grondwettelijk Hof vernietigt het woord "essentiellement" in de Franse versie van artikel 2 van de seksismewet.

Daarnaast bepaalt het Grondwettelijk Hof dat een bijzonder opzet is vereist:

"Volgens het bestreden artikel 2 moet het gebaar of de handeling « klaarblijkelijk bedoeld [zijn] om minachting uit te drukken jegens een persoon […] of deze […] als minderwaardig te beschouwen […] ». Bovendien moet het gebaar of de handeling « een ernstige aantasting van de waardigheid » van die persoon tot gevolg hebben gehad. Zowel uit de bewoordingen van de bestreden bepaling als uit de parlementaire voorbereiding ervan blijkt dat het gaat om een opzettelijk misdrijf en dat de wetgever de bestraffing heeft willen beperken tot de ernstigste gevallen. 

De combinatie van de bewoordingen van die bepaling geeft aan dat zij de intentie vereist om « misprijzen » uit te drukken jegens een persoon of om deze als minderwaardig te beschouwen in de wetenschap dat het gebaar of de handeling kan leiden tot een aantasting van de waardigheid van die persoon. Bovendien moet dat gebaar of die handeling, om strafbaar te zijn, daadwerkelijk zulk een ernstige aantasting tot gevolg hebben gehad. 

Het mag dus niet gaan om een misdrijf waarvan het bestaan zou worden aangenomen vanaf het ogenblik dat de materiële elementen ervan aanwezig zijn. Het staat aan de vervolgende partij het bestaan van het vereiste bijzonder opzet te bewijzen."

Unia was geen betrokken partij.

Afgekort: GwH 25/5/2016, nr. 72/2016 

Wetgeving:

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?