Hof van beroep Antwerpen, 14 juni 2005
Het hof van beroep van Antwerpen hervormt een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg waarin werd geoordeeld dat een algemeen verbod op het dragen van hoofddeksels in een provinciale school geen inbreuk vormde op de vrijheid van godsdienst en de antidiscriminatiewet. Het hof van beroep komt tot hetzelfde besluit, maar dan op basis van een andere redenering.
[Eerste aanleg: Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, 5 oktober 2004]
Beslissing
Ten eerste oordeelde het hof van beroep dat de antidiscriminatiewet niet van toepassing is op onderwijs. Het toepassingsgebied van de antidiscriminatiewet is minder precies dan dat van de 2 richtlijnen die erdoor worden omgezet (2000/43/EU, bekend als de Rasrichtlijn, en 2000/78/EU, bekend als de Kaderrichtlijn). De EU heeft expliciet onderwijs opgenomen in het toepassingsgebied van de Rasrichtlijn, wat de wetgever niet heeft gedaan in de antidiscriminatiewet.
Het hof van beroep oordeelde dat 'onderwijs' een andere activiteit is dan die waarop artikel 2 § 4 antidiscriminatiewet betrekking heeft, namelijk "toegang tot, deelname aan en elke andere uitoefening van een voor het publiek toegankelijke economische, sociale, culturele of politieke activiteit".
Het hof van beroep oordeelde, in concreto, dat er geen sprake kon zijn van (directe of indirecte) discriminatie of schending van de godsdienstvrijheid, aangezien:
- Het verbod op het dragen van hoofddeksels in de klas, tijdens studietijd en in de refter een algemene regel is die voldoende duidelijk en toegankelijk is.
- Het verbod gericht is op een algemeen belang en de bescherming van de rechten van anderen.
- Het verbod enkel de grenzen oplegt die nodig zijn om de rust binnen de school en het vreedzaam samenleven van verschillende culturen en godsdiensten te verzekeren.
Het hof van beroep vond dat de jonge moslimmeisjes een provocerende houding aannamen, niet alleen tegenover de leerkrachten (kranteninterviews waarin werd gesteld dat leerkrachten leerlingen met een hoofddoek minder gunstig beoordeelden om raciale redenen), maar ook tegenover andere jonge moslimmeisjes die 'discreter' waren. In de uitspraak werd niet gesproken over proselitisme, maar dat elke uitwas een uiting was van provocatie, van afwijzing van anderen, en van afwijzing van het onderwijsproject dat erop gericht is leerlingen voor te bereiden op een actief sociaal leven.
Het hof van beroep concludeerde dat neutraliteit, in de zin van secularisme, een inspanning vereist van zowel de religies als het individu als zodanig, aangezien neutraal onderwijs het vermogen vereist om afstand te nemen van een religieuze traditie zonder zichzelf te verloochenen.