Hof van beroep Brussel (Franstalig), 11 mei 2026
Een eigenares weigert haar woning te verhuren aan een kandidaat-huurder van buitenlandse afkomst die wordt bijgestaan door een collega, een medewerkster van het OCMW. Het hof van beroep bevestigt het vonnis in eerste aanleg, waarin er directe discriminatie op grond van raciale kenmerken en (vermeend) vermogen werd vastgesteld.
[Eerste aanleg: Rechtbank van eerste aanleg Brussel (Franstalig), 6 juni 2025]
[Waarschuwing: deze uitspraak kan kwetsend taalgebruik bevatten.]
Feiten
Een man van buitenlandse afkomst wil een woning huren en wordt daarbij geholpen door een collega, een medewerkster van het OCMW. Er wordt een woning gevonden, maar de eigenares weigert deze aan deze man te verhuren. Ze vertoont herhaaldelijk racistisch gedrag, bijvoorbeeld door te zeggen "dat ze alle buitenlandse huurders uit haar woningen heeft gezet en dat ze niet langer aan buitenlanders wil verhuren omdat ze genoeg bedreigd en bestolen is door dit soort mensen, die de huur toch niet zullen betalen”. Bovendien dacht ze ten onrechte dat hij een uitkering van het OCMW ontving en wees ze hem ook om die reden af.
Beslissing
Het hof van beroep is, net als in eerste aanleg, van oordeel dat de eigenares directe discriminatie heeft gepleegd op grond van de huidskleur, de etnische afkomst en de vermeende vermogenssituatie van het slachtoffer.
Het hof van beroep kende de kandidaat-huurder een schadevergoeding toe van 1300 euro (geïndexeerd). Het wees daarentegen het verzoek om schadevergoeding van Unia af, omdat het van oordeel was dat dit niet ontvankelijk is in het kader van een vordering tot staking.
Het hof van beroep beveelt de beëindiging van de discriminatie, maar uitsluitend ten aanzien van toekomstige huurderskandidaten. Het hof is van oordeel dat de discriminerende handeling ten aanzien van het slachtoffer is voltooid en dat het risico op herhaling onwaarschijnlijk is, zodat het niet gerechtvaardigd is om de beëindiging van de discriminatie ten aanzien van het slachtoffer te gelasten.
Aandachtspunten
- De verhuurster was van mening dat zij volledig vrij was om een kandidaat-huurder te aanvaarden of te weigeren, aangezien zij als particulier verhuurde. Het hof van beroep herinnert eraan dat elke verhuurder, al dan niet beroepsmatig, zich moet onthouden van elke vorm van discriminatie ten aanzien van kandidaat-huurders.
- De feiten speelden zich af in 2022. De kandidaat-huurder en Unia hadden schadevergoeding geëist op grond van het Brusselse Wetboek inzake gelijkheid, non-discriminatie en bevordering van diversiteit, dat op 16 oktober 2024 in werking trad. Zij voerden aan dat het hier om een procedureregel ging waarop zij zich konden beroepen. Het hof van neroep volgde dit argument niet en paste de Brusselse Woningwet toe die in 2022 van kracht was.
- De interpretatie van het hof van beroep met betrekking tot het ontbreken van een risico op herhaling ten aanzien van het slachtoffer is in tegenspraak met de traditioneel aanvaarde rechtspraak ter zake, die stelt dat dit risico pas kan worden uitgesloten wanneer het objectief gezien niet meer aanwezig kan zijn. Aangezien het pand nog steeds kan worden verhuurd, kan een dergelijk risico a priori dus niet worden uitgesloten.
Unia was betrokken partij.
Afgekort: hof van beroep Brussel (Fr.), 11/5/2026 - Rolnummer 2025/KR/62
Wetgeving:
- Brusselse Huisvestingscode (17 juli 2003)
- Brussels Wetboek inzake de gelijkheid, de non-discriminatie en de bevordering van diversiteit (4 april 2024)