Ga verder naar de inhoud

Hof van beroep Brussel (Franstalig), 30 juni 2016

Een bank sluit de rekeningen af van de vzw Islamic R. Dit gebeurt op basis van een inschatting van het risico door het screeningssysteem van de bank. De vzw meent dat er sprake is van discriminatie (op grond van geloofsovertuiging) en van intimidatie. Het hof van beroep oordeelt dat de klacht ongegrond is.

[Eerste aanleg: Rechtbank van eerste aanleg Brussel (Franstalig), 13 juli 2015]

Gepubliceerd op: 30/06/2016
Domeinen: Goederen en diensten
Beschermde kenmerken: Discriminatie op basis van geloof of levensbeschouwing
Rechtsinbreuk(en): Discriminatie (burgerrechtelijk), Directe discriminatie, Indirecte discriminatie, Intimidatie
Rechtsmacht: Hof van beroep
Rechtsgebied: Brussel
Unia (burgerlijke) partij: neen

Feiten

Een vzw met de naam Islamic R. heeft 3 rekeningen bij een bank. Op deze rekeningen worden dagelijks bedragen gestort, rechtstreeks of via PayPal. Na 4 maanden merkt de bank via haar screeningssysteem op dat er zich 'risicopersonen' bevinden onder de donateurs. De bank meldt dit aan de Cel voor Financiële Informatieverwerking en sluit vervolgens de rekeningen af.

De vzw meent dat er sprake is van discriminatie door de bank (op grond van  geloofsovertuiging) en van intimidatie.

Beslissing

Het hof van beroep oordeelt dat de vzw geen elementen kan aanvoeren die het bestaan van een directe of indirecte discriminatie kunnen doen vermoeden. 

Wat de aantijging van directe discriminatie betreft, merkt het hof van beroep op dat de vzw niet kan aantonen dat ze door de bank anders werd behandeld dan een andere cliënt met gelijkaardig risicoprofiel. 

Wat de aantijging van indirecte discriminatie betreft, merkt het hof van beroep op dat uit geen enkel statistisch gegeven blijkt dat het screeningssysteem van de bank vzw's zoals Islamic R. vaker zou treffen dan andere vzw's.

Wat het aspect intimidatie betreft, oordeelt het hof van beroep ten slotte dat er voor intimidatie een zekere vorm van herhaling is vereist. Daarvan is geen sprake. Het hof van beroep merkt op dat de vzw aanvankelijk werd aanvaard als cliënt. Dat toont aan dat er geen wantrouwen of vijandigheid bestond tegenover de vzw.

Het hof van beroep oordeelt dat de klacht van de vzw ongegrond is. Eerder oordeelde de rechtbank van eerste aanleg al in dezelfde zin.

Unia was geen betrokken partij.

Het arrest werd gepubliceerd in Financieel Forum/Bank- en Financieel Recht, 2016/IV, p. 242.

Afgekort: Brussel (Fr.), 30-6-2016.

 

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?