Hof van beroep Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 17 september 2026
Een man met een ernstige psychische aandoening verbleef meer dan 2 jaar na zijn internering nog altijd in de gevangenis bij gebrek aan een aangepaste zorgplaats. Het hof van beroep oordeelde dat deze situatie strijdig was met zijn recht op passende zorg en beval zijn plaatsing in een gespecialiseerde residentiële instelling binnen 45 dagen.
[Waarschuwing: deze uitspraak kan kwetsend taalgebruik bevatten.]
Feiten
Een man met een ernstige psychische aandoening en middelenproblematiek verbleef sinds februari 2024 in de gevangenis van Gent. De Kamer van Inbeschuldigingstelling van het hof van beroep Gent sprak in juli 2024 een interneringsmaatregel uit. In oktober 2024 volgde een tweede interneringsmaatregel naar aanleiding van feiten van opzettelijke brandstichting in zijn cel.
De Kamer voor de Bescherming van de Maatschappij plaatste hem op in juni 2025 in de afdeling bescherming maatschappij (ABM) van de gevangenis van Gent, in afwachting van een opname in een geschikte residentiële voorziening. Hoewel de ABM specifiek bestemd is voor geïnterneerden, blijft zij deel uitmaken van de gevangenisomgeving. Ondanks verschillende aanmeldingen bij gespecialiseerde voorzieningen vond men geen passende plaats.
De man voerde aan dat hij in de gevangenis geen aangepaste psychiatrische zorg ontving. Hij wees op de beperkte therapeutische begeleiding, het uitblijven van een residentiële opname, de vele tuchtincidenten, suïcidepogingen en de uitzichtloze situatie waarin hij terechtkwam. In een vonnis van 2 juni 2026 wees de kortgedingrechter zijn vordering af wegens gebrek aan urgentie. Tegen die beslissing stelde hij hoger beroep in.
Beslissing
Het hof oordeelde dat de vordering wel degelijk urgent was. Het feit dat de man pas in april 2026 een kortgedingprocedure had opgestart, deed geen afbreuk aan die urgentie. Hij mocht gedurende een lange periode verwachten dat een geschikte instelling zou worden gevonden, terwijl hij ondertussen zonder concreet perspectief op opname in een aangepaste voorziening verbleef.
Het hof stelde vast dat de zorg en omkadering in de ABM van de gevangenis onvoldoende aansloten bij zijn psychische problematiek. Een verblijf in een ABM binnen de gevangenis kan slechts tijdelijk aanvaardbaar zijn in afwachting van plaatsing in een aangepaste residentiële zorginstelling. De vele tuchtrapporten, de beperkte psychiatrische opvolging, de suïcidepogingen en de impasse waarin de man was terechtgekomen, wezen volgens het hof op een verdere achteruitgang van zijn situatie. De redelijke termijn voor plaatsing in een residentiële voorziening was ogenschijnlijk overschreden. Het hof achtte bovendien niet bewezen dat zijn psychiatrische en middelenproblematiek dermate uitzonderlijk of complex waren dat geen passende instelling kon worden gevonden. Het hof bevestigt dat geïnterneerden een subjectief recht hebben op passende zorg en behandeling overeenkomstig de Wet Internering. Aangezien de man geen passende zorg ontving, voldeed zijn vrijheidsberoving ook niet langer aan de vereisten van artikel 5 EVRM.
Het hof vernietigde de beschikking van de kortgedingrechter. Het verklaarde dat de man recht heeft op een overplaatsing naar een aangepaste instelling. Het beval de Belgische Staat om hem binnen 45 dagen na betekening van het arrest te plaatsen in een dergelijke instelling, op straffe van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging, met een maximum van 100.000 euro. Het hof preciseerde dat het om een voorlopige maatregel gaat in afwachting van een uitspraak ten gronde.
Aandachtspunten
- Hoewel er geen uitspraak gebeurde op basis van de Antidiscriminatiewet ligt deze uitspraak conceptueel dicht bij de verplichting tot redelijke aanpassingen uit artikel 14 van de Antidiscriminatiewet van 10 mei 2007 en artikel 2 VRPH. De kern van beide verplichtingen is immers dat een persoon met een handicap toegang moet krijgen tot een aangepaste omgeving en dienstverlening, tenzij dit een onevenredige belasting vormt. Het hof benadrukt daarbij dat de overheid zich niet kan beroepen op structurele tekorten of organisatorische moeilijkheden om het uitblijven van een geschikte plaatsing te rechtvaardigen.
- De uitspraak verwijst expliciet naar het pilootarrest W.D. t. België van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en plaatst de zaak in de context van de structurele problemen binnen het Belgische interneringssysteem. Ook het Hof van Cassatie oordeelde al in deze zin: "Het enkele feit dat bij een geïnterneerde er geen of weinig vooruitgang is op therapeutisch vlak en dat er op het vlak van reclassering evenmin enig vooruitzicht is, kan in het licht van de uit de artikelen 3 en 5.1.e EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, voortvloeiende verplichting om een geïnterneerde te plaatsen in een hospitaal, kliniek of aangepaste instelling, niet verantwoorden dat er een einde wordt gemaakt aan de plaatsing van die geïnterneerde in een forensisch psychiatrisch centrum en om zijn overplaatsing te bevelen naar een penitentiair milieu, waarmee de kamer te kennen geeft dat dit geen aan de toestand van de eiser aangepaste instelling is waar hij de nodige zorg zal ontvangen" (Cass., 5 mei 2026).
- Het hof beschouwt de vele tuchtincidenten niet als een argument tegen plaatsing, maar ziet die eerder als een aanwijzing dat de geïnterneerde onvoldoende aangepaste zorg ontvangt.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: Gent (1e k.) 17 september 2026 – Rolnummer 2026/RK/18.