Hof van beroep Luik, 26 juni 1996
De correctionele rechtbank van Neufchâteau had op 19 december 1995 de vervolging op grond van de wet van 30 juli 1981 jegens een persoon die een jonge persoon met migratieroots op een speelplaats van een school in Bertrix verbaal en fysiek heeft belaagd, ongegrond verklaard.
[Waarschuwing: deze uitspraak kan kwetsend taalgebruik bevatten.]
Feiten
De belager werd veroordeeld voor slagen en verwondingen, maar wat betreft het aanzetten tot haat, waarvoor zowel het parket als het Centrum vervolging hadden ingesteld, meende de rechtbank dat de intentie tot het openbaar aanzetten tot haat en racisme niet bewezen was.
Juridische kwalificatie
Het openbaar ministerie vervolgde de beklaagde voor:
- Aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon (artikel 1, 1° antiracismewet 1981 – thans artikel 250, 1°-2° Strafwetboek).
- Opzettelijke slagen en verwondingen (artikel 398 oud Strafwetboek).
- Opzettelijke slagen en verwondingen met ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge (artikel 399 oud Strafwetboek).
Beslissing
Het hof van beroep van Luik bevestigt het vonnis van de correctionele rechtbank van Neufchâteau.
De rechtbank overweegt dat “het feit van aan de rijkswacht te verklaren dat hij niet van vreemdelingen houdt geen aanzet tot rassenhaat is, noch zelfs een belediging (hoofdens de beklaagde); dat deze misplaatste opmerking immers de weinig loofwaardige persoonlijke gevoelens van de betrokkene weergeeft en niet kan beschouwd worden als het “opjutten” van één of meer personen tegen het slachtoffer”.
Verder is de rechtbank van oordeel dat blijkt dat Nordin A. op zijn school het slachtoffer was van racistische opmerkingen vanwege andere leerlingen en dat beklaagde Jean C. geen deel uitmaakt van die school en er dus buiten staat. Uit het dossier blijkt duidelijk dat de beklaagde tot handelen werd aangezet uit wraak wegens het van school sturen van een leerling, die van school was gestuurd wegens zijn attitude jegens Nordin A.