Hof van Cassatie, 23 januari 1996
Het hof van beroep stelt in een arrest dat de nationaliteit van de beklaagde een ernstige reden is om te vrezen dat hij zich zal onttrekken aan het optreden van het gerecht. Het Hof van Cassatie oordeelt dat er geen sprake is van discriminatie tijdens de ambtsuitoefening.
Feiten
In een arrest van 9 januari 1996 had het hof van beroep van Gent geoordeeld dat "dient vermeden (te worden) dat in een dergelijk complex dossier met tal van verdachten het verder verloop van de rechtspleging zou worden gedwarsboomd door het zich onttrekken aan het optreden van het gerecht, wat ten zeerste te vrezen valt gelet op geringe banden met België, (de) vreemde nationaliteit (van eiser), en (de) afvoering van ambtswege (van eiser) op 7 december 1994".
Het hof van beroep stelde dus vast dat de nationaliteit van de eiser mede een ernstige reden was om te vrezen dat hij zich zou onttrekken aan het optreden van het gerecht.
De eiser vond dat er sprake was van discriminatie door een ambtenaar of openbaar officier (artikel 4 antiracismewet 1981 – thans artikel 253 Strafwetboek).
Beslissing
Het Hof van Cassatie oordeelde "dat uit de motivering van de rechters geen vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur wegens de nationaliteit van eiser blijkt waardoor hem de uitoefening van een recht of een vrijheid waarop hij aanspraak kan maken op willekeurige wijze wordt ontzegd; dat de rechters jegens eiser geen discriminatie bedrijven in de zin van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden".
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: Cass. 23/1/1996 - Rolnummer P.96.0090.N
Het arrest werd gepubliceerd in Rechtskundig Weekblad 1996-97, 537 en Juriportal.