Hof van Cassatie, 8 november 2023
Het aanzettingsmisdrijf omvat, onder zijn constitutieve bestanddelen, niet het feit dat de groep, de gemeenschap of hun leden kennis hebben van het aanzetten tot haat of geweld jegens hen. Het volstaat dat dit gedrag werd aangenomen in één van de omstandigheden uit art. 444 van het Strafwetboek.
Feiten
In een arrest werd geoordeeld dat “het aanzetten tot geweld tegen de joodse bevolking duidelijk aanwezig is in de uitlatingen, die zijn gedaan in aanwezigheid van meerdere personen en bovendien zijn vastgelegd op een video die is opgenomen in het Fedasil-centrum en waarvan [verzoeker] heeft verklaard dat deze bedoeld was om te worden verspreid”. Hieruit werd afgeleid dat er sprake was van aanzetten tot geweld in het openbaar (d.i. in één van de omstandigheden uit artikel 444 van het Strafwetboek).
De verzoeker stelt evenwel dat er geen sprake was van 'aanzetten tot' omdat de betrokken personen (in casu de joodse bevolking) hiervan geen kennis hadden.
Beslissing
Het Hof van Cassatie oordeelt dat het misdrijf bedoeld in artikel 20, 4° van de antiracismewet, onder zijn constitutieve bestanddelen, niet het feit omvat dat de groep, de gemeenschap of hun leden kennis hebben van het aanzetten tot haat of geweld jegens hen. Het volstaat dat dit gedrag werd aangenomen in één van de omstandigheden vermeld in art. 444 van het Strafwetboek.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: Cass., 8/11/2023 - Rolnummer P.23.1218.F