Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 juni 2021
Een regeling van een lidstaat die zonder onderscheid van toepassing is op alle derdelanders en op grond waarvan langdurig ingezeten derdelanders slechts in aanmerking komen voor een woonkostentoeslag indien zij op een door die regeling bepaalde wijze aantonen dat zij beschikken over een basiskennis van de taal van die lidstaat, valt niet binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2000/43.
Land Oberösterrreich tegen KV (C-94/20)
Feiten
KV, die de Turkse nationaliteit bezit, woont sinds 1997 samen met zijn echtgenote en hun 3 kinderen in Oostenrijk, waar hij de „status van langdurig ingezetene” in de zin van artikel 2, onder b), van Richtlijn 2003/109 bezit. Hij ontving tot eind 2017 een woonkostentoeslag op grond van het oöWFG. Daar de toekenning van deze toeslag aan derdelanders krachtens § 6, leden 9 en 11, oöWFG met ingang van 1 januari 2018 is onderworpen aan de voorwaarde dat de derdelander op een door deze regeling bepaalde wijze aantoont dat hij over een basiskennis van het Duits beschikt, is aan KV vanaf die datum het recht op deze toeslag ontzegd op grond dat hij niet het vereiste bewijs had geleverd.
Beslissing
Een regeling van een lidstaat die zonder onderscheid van toepassing is op alle derdelanders en op grond waarvan langdurig ingezeten derdelanders slechts in aanmerking komen voor een woonkostentoeslag indien zij op een door die regeling bepaalde wijze aantonen dat zij beschikken over een basiskennis van de taal van die lidstaat, valt niet binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2000/43.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: EU-HvJ, Land Oberösterrreich tegen KV, 10/6/2021 – Rolnummer C-94/20
Wetgeving:
- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (7 december 2000)
- EU-Richtlijn 2000/43/EG (29 juni 2000)