Hof van Justitie van de Europese Unie, 11 september 2018
Een arts werkt voor een katholieke organisatie. Na een echtscheiding gaat hij een nieuw huwelijk aan. Dat leidt tot zijn ontslag bij de organisatie.
IR tegen JQ (C-68/17)
Feiten
IR is een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Duits recht. Zij heeft tot maatschappelijk doel om missies van Caritas – het internationale netwerk van katholieke hulporganisaties – te vervullen als uiting van het leven en wezen van de rooms-katholieke kerk. Dit doet zij onder meer door de exploitatie van ziekenhuizen. IR streeft niet in de eerste plaats winst na en valt onder het toezicht van de katholieke aartsbisschop van Keulen (Duitsland).
De katholieke JQ is gediplomeerd arts. Sinds 2000 is hij met een arbeidsovereenkomst bij IR werkzaam als afdelingshoofd Interne Geneeskunde van een ziekenhuis.
JQ was getrouwd volgens de rooms-katholieke ritus. In 2005 is zijn eerste echtgenote bij hem weggegaan. Hun echtscheiding werd in maart 2008 uitgesproken. In augustus 2008 heeft JQ een burgerlijk huwelijk gesloten met zijn nieuwe partner, zonder dat zijn eerste huwelijk nietig was verklaard.
Nadat IR kennis had genomen van dit nieuwe huwelijk heeft zij JQ bij schrijven van 30 maart 2009 met ingang van 30 september 2009 ontslagen.
JQ heeft bij het Arbeitsgericht (arbeidsrechter in eerste aanleg, Duitsland) beroep ingesteld tegen dit ontslag en daarbij gesteld dat zijn tweede huwelijk geen geldige reden was voor dit ontslag. Volgens JQ was zijn ontslag in strijd met het beginsel van gelijke behandeling, omdat een tweede huwelijk van een protestants of niet-gelovig afdelingshoofd geen consequenties voor diens dienstverband met IR zou hebben gehad.
Beslissing
Artikel 4, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2000/78/EG moet aldus worden uitgelegd dat:
- enerzijds, een kerk of een andere organisatie waarvan de grondslag op godsdienst of overtuiging is gebaseerd en die een ziekenhuis in de vorm van een privaatrechtelijke kapitaalvennootschap exploiteert, niet kan besluiten haar leidinggevende werknemers afhankelijk van hun geloofsopvatting te verplichten tot een houding van goede trouw en loyaliteit aan deze grondslag zonder dat deze beslissing in voorkomend geval onderworpen kan worden aan doeltreffend rechterlijk toezicht waarmee kan worden gewaarborgd dat is voldaan aan de criteria van artikel 4, lid 2, van die richtlijn, en
- anderzijds, een verschillende behandeling van leidinggevende werknemers al naargelang hun geloofsopvatting, wat betreft de vereisten een houding van goede trouw en loyaliteit aan de genoemde grondslag aan te nemen, alleen dan verenigbaar is met de genoemde richtlijn indien, gelet op de aard van de betrokken beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgeoefend, het geloof of de overtuigingen, gezien de grondslag van de betrokken kerk of organisatie, een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd beroepsvereiste vormen dat strookt met het evenredigheidsbeginsel, waarbij het aan de nationale rechter staat om dit te toetsen.
Een nationale rechterlijke instantie waarbij een geding tussen twee particuliere partijen aanhangig is, is gehouden om, wanneer het voor haar onmogelijk is het toepasselijke nationale recht in overeenstemming met artikel 4, lid 2, van richtlijn 2000/78 uit te leggen, binnen de grenzen van haar bevoegdheden de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen voortvloeit uit de algemene beginselen van Unierecht, zoals het verbod van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging dat voortaan in artikel 21 van het Handvest is neergelegd, en de volle werking van de daaruit voortvloeiende rechten te waarborgen door zo nodig elke hiermee strijdige nationale bepaling buiten toepassing te laten.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: EU-HvJ IR tegen JQ, 11/9/2018 – Rolnummer C-68/17
Wetgeving:
- EU-Kaderrichtlijn 2000/78/EG (27 november 2000)