Hof van Justitie van de Europese Unie, 11 september 2025
De Italiaanse wetgeving bepaalt dat werknemers die met ziekteverlof zijn, hun functie kunnen behouden gedurende een periode van 180 dagen per kalenderjaar. De wetgeving in kwestie bevat geen specifieke regeling voor werknemers met een handicap. Het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalt onder welke voorwaarden deze wetgeving in overeenstemming is met Richtlijn 2000/78.
P.M. tegen S. Snc. (Pauni) (C-5/24)
Feiten
Een vrouw werkte in een Italiaans horecabedrijf als serveerster en keukenhulp. Ze was in ziekteverlof en tijdens haar ziekteverlof werd ze officieel erkend als persoon met een handicap.
De Italiaanse wetgeving bepaalt dat werknemers die in ziekteverlof zijn, hun functie kunnen behouden gedurende een periode van 180 dagen per kalenderjaar. Na afloop van die periode kunnen de werknemers éénmalig onbetaald verlof aanvragen gedurende een periode van 120 dagen (behalve in het geval van een chronische of psychische ziekte).
Deze wetgeving houdt geen rekening met het feit dat de werknemer die met ziekteverlof is een handicap heeft. Een Italiaanse rechter stelt hierover enkele prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Hij wil onder meer weten of er sprake is van indirecte discriminatie op grond van handicap.
Beslissing
De Italiaanse wetgever heeft, met betrekking tot deze regeling, geen specifieke bepalingen voorzien voor werknemers met een handicap. Dit is volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie niet in strijd met Richtlijn 2000/78 op voorwaarde dat:
- deze regeling niet verder gaat dan nodig is ter verwezenlijking van de doelstelling van sociaal beleid die erin bestaat te verzekeren dat de werknemer in staat en beschikbaar is om diens beroepsactiviteit uit te oefenen en dat
- de nationale regelgeving geen belemmering vormt voor de volledige naleving van de verplichtingen in artikel 5 van richtlijn 2000/78 (over redelijke aanpassingen voor personen met een handicap)
Het Hof van Justitie van de Europese Unie merkt op dat richtlijn 2000/78 niet vereist dat een persoon die niet langer in staat of beschikbaar is om de essentiële taken van de betrokken functie uit te voeren, in dienst blijft. Dit doet geen afbreuk aan de verplichting om redelijke aanpassingen te voorzien voor personen met een handicap. In een dergelijke context kan het waarborgen van het vermogen en de beschikbaarheid van werknemers om hun beroepsactiviteit uit te oefenen een legitiem doel van sociaal beleid vormen.
Daarnaast oordeelt het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de desbetreffende regeling geen redelijke aanpassing vormt. Het is geen passende maatregel die een werknemer in een concrete situatie neemt ten gunste van een werknemer met een handicap.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: EU-HvJ, P.M. tegen S. Snc. (Pauni), 11/9/2025 - Rolnummer C-5/24
Wetgeving:
- Internationaal verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (12 december 2006) en facultatief protocol (13 december 2006) (officiële Engelstalige versie op de website van de VN)
- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (7 december 2000)
- EU-Kaderrichtlijn 2000/78/EG (27 november 2000)