Ga verder naar de inhoud

Hof van Justitie van de Europese Unie, 15 april 2021

Een passagier van Chileense afkomst heeft een Zweedse binnenlandse vlucht geboekt. Op bevel van de gezagvoerder wordt hij aan een extra veiligheidscontrole onderworpen. De luchtvaartmaatschappij wil een schadevergoeding betalen, maar zonder te erkennen dat er sprake is van discriminatie.

Gepubliceerd op: 15/04/2021
Domeinen: Goederen en diensten
Beschermde kenmerken: Racisme
Rechtsinbreuk(en): Discriminatie (burgerrechtelijk), Directe discriminatie
Rechtsmacht: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rechtsgebied: Europese Unie
Unia (burgerlijke) partij: neen

Diskrimineringsombudsmannen tegen Braathens Regional Aviation AB (C-30/1)9

Feiten

In juli 2015 werd een in Stockholm (Zweden) woonachtige passagier van Chileense afkomst die een Zweedse binnenlandse vlucht van de luchtvaartmaatschappij Braathens had geboekt, op bevel van de gezagvoerder aan een extra veiligheidscontrole onderworpen. De Diskrimineringsombudsman heeft bij de Stockholms tingsrätt (rechter in eerste aanleg Stockholm) beroep ingesteld en gevorderd dat Braathens ertoe zou worden veroordeeld om aan de passagier in het hoofdgeding een schadevergoeding van 10.000 Zweedse kronen (ongeveer 1 000 EUR) te betalen wegens het discriminerende gedrag van deze luchtvaartmaatschappij jegens deze passagier.

Braathens heeft er voor de Stockholms tingsrätt mee ingestemd de wegens discriminatie gevorderde schadevergoeding te betalen, zonder evenwel te erkennen dat er sprake was van enige discriminatie. De Diskrimineringsombudsman heeft bij deze rechter de opvatting betwist dat diens uitspraak gebaseerd moet worden op de instemming van Braathens zonder dat de gestelde discriminatie ten gronde dient te worden onderzocht.

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 7 en 15 van richtlijn 2000/43, gelezen tegen de achtergrond van artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat die artikelen in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die een rechter bij wie een beroep tot schadevergoeding aanhangig is gemaakt wegens vermeende door deze richtlijn verboden discriminatie, belet om het verzoek tot vaststelling van het bestaan van deze discriminatie te onderzoeken wanneer de verweerder bereid is de gevorderde schadevergoeding te betalen zonder evenwel te erkennen dat er sprake is van discriminatie.

Beslissing

De artikelen 7 en 15 van richtlijn 2000/43/EG, gelezen tegen de achtergrond van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat die artikelen in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die een rechter bij wie een beroep tot schadevergoeding aanhangig is gemaakt wegens vermeende door deze richtlijn verboden discriminatie, belet om het verzoek tot vaststelling van het bestaan van deze discriminatie te onderzoeken wanneer de verweerder bereid is de gevorderde schadevergoeding te betalen zonder evenwel te erkennen dat er sprake is van discriminatie. 

Het staat aan de nationale rechterlijke instantie aan wie een geschil tussen private partijen is voorgelegd om binnen het kader van haar bevoegdheden de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen voortvloeit uit artikel 47 van het Handvest, waarbij zij zo nodig elke daarmee strijdige bepaling van de nationale wettelijke regeling buiten toepassing moet laten.

Unia was geen betrokken partij.

Afgekort: EU-HvJ, Diskrimineringsombudsmannen tegen Braathens Regional Aviation AB, 15/4/2021 – Rolnummer C-30/19

Wetgeving:

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?