Hof van Justitie van de Europese Unie, 15 november 2018
Een Italiaans onderdaan, geboren en woonachtig in Duitsland, heeft in Armenië rechten gestudeerd. Daardoor komt hij niet in aanmerking voor de toekenning van een studiebeurs door een Duitse stichting.
Heiko Jonny Maniero tegen Studienstiftung des deutschen Volkes eV (C-457/17)
Feiten
Maniero, een Italiaans onderdaan, is geboren en woonachtig in Duitsland. In 2013 heeft hij aan de universiteit Haybusak van Erevan (Armenië) de academische titel „Bachelor of Laws” behaald.
De stichting is een in Duitsland geregistreerde vereniging die met name via de toekenning van beurzen tot doel heeft, het aanmoedigen van het volgen van hoger onderwijs door jonge mensen die beschikken over een groot wetenschappelijk of artistiek talent alsmede over een persoonlijkheid waarvan bijzondere prestaties in dienst van de gemeenschap mogen worden verwacht.
Bij e-mail van 11 december 2013 heeft Maniero de stichting gevraagd aan welke voorwaarden hij diende te voldoen voor het verkrijgen van een studiebeurs op grond van een programma van de stichting, namelijk het „Bucerius-Jura-Programm”, dat juridische onderzoeks- of studieprojecten in het buitenland beoogt te stimuleren.
Bij e-mail van 17 januari 2014 heeft de stichting Maniero laten weten dat aanvragers moesten zijn geslaagd voor het eerste staatsexamen rechtsgeleerdheid (Erste Juristische Staatsprüfung).
Bij e-mail van diezelfde datum heeft verzoeker erop gewezen dat het universitaire diploma dat hij na 5 jaar studie in Armenië had behaald, vergelijkbaar was met het tweede staatsexamen rechtsgeleerdheid (Zweite Juristische Staatsprüfung), aangezien dit de houder ervan in staat stelt om in dat derde land de functies van rechter en advocaat uit te oefenen. Hij voegde eraan toe dat de voorwaarde die vereist is om de beurs in het kader van het Bucerius-Jura-Programm te verkrijgen, mogelijkerwijs in strijd is met het algemene beginsel van gelijke behandeling, aangezien die voorwaarde discriminatie oplevert op grond van etnische of sociale afstamming.
Beslissing
Met haar eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie van het Hof te vernemen of artikel 3, lid 1, onder g), van richtlijn 2000/43 aldus moet worden uitgelegd dat de toekenning door een particuliere stichting van beurzen ter ondersteuning van onderzoeks- of studieprojecten in het buitenland onder het begrip „onderwijs” in de zin van deze bepaling valt.
Artikel 3, lid 1, onder g), van richtlijn 2000/43/EG dient aldus te worden uitgelegd dat de toekenning door een particuliere stichting van beurzen ter ondersteuning van onderzoeks- of studieprojecten in het buitenland onder het begrip „onderwijs” in de zin van deze bepaling valt, wanneer er een voldoende nauwe band bestaat tussen de toegekende financiële voordelen en de deelname aan dergelijke onderzoeks- of studieprojecten die zelf onder ditzelfde begrip „onderwijs” vallen.
Dit is met name het geval wanneer deze toelagen verband houden met de deelname van potentiële kandidaten aan een dergelijk onderzoeks- of studieproject, wanneer zij tot doel hebben alle of een deel van de potentiële financiële belemmeringen voor een dergelijke deelname weg te nemen en wanneer zij geschikt zijn om deze doelstelling te verwezenlijken.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/43 aldus moet worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een in een lidstaat gevestigde particuliere stichting alleen beurzen ter ondersteuning van onderzoek of juridische studies in het buitenland kan toekennen aan kandidaten die in die lidstaat met goed gevolg een juridisch examen hebben afgelegd zoals dat welk in het hoofdgeding aan de orde is, indirecte discriminatie op grond van ras of etnische afstamming in de zin van deze bepaling vormt.
Artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/43 dient aldus te worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een in een lidstaat gevestigde particuliere stichting de toekenning van subsidies ter ondersteuning van onderzoeks- of juridische studieprojecten in het buitenland beperkt tot kandidaten die in die lidstaat met goed gevolg een juridisch examen zoals dat in het hoofdgeding hebben afgelegd, geen indirecte discriminatie op grond van ras of etnische afstamming in de zin van deze bepaling vormt.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: EU-HvJ, Heiko Jonny Maniero tegen Studienstiftung des deutschen Volkes eV, 15/11/2018 – Rolnummer C-457/17
Wetgeving:
- EU-Richtlijn 2000/43/EG (29 juni 2000)