Ga verder naar de inhoud

Hof van Justitie van de Europese Unie, 16 januari 2014

Het Unierecht, en inzonderheid het effectiviteitsbeginsel, staat niet in de weg aan een nationale regeling die het recht van een werknemer om te verzoeken om een herziening van de diensttijd die in aanmerking moet worden genomen bij de bepaling van de peildatum voor overgang naar de volgende salaristrap, onderwerpt aan een dertigjarige verjaringstermijn die ingaat vanaf de sluiting van de overeenkomst op basis waarvan deze peildatum is vastgelegd of vanaf de indeling op een onjuiste salaristrap.

Gepubliceerd op: 16/01/2014
Domeinen: Arbeid
Beschermde kenmerken: Leeftijdsdiscriminatie (agisme)
Rechtsinbreuk(en): Discriminatie (burgerrechtelijk), Directe discriminatie
Rechtsmacht: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rechtsgebied: Europese Unie
Unia (burgerlijke) partij: neen

Siegfried Pohl tegen ÖBB Infrastruktur AG (C-429/12)

Feiten

De heer Pohl, 15 jaar oud, begint te werken op 1 december 1965 bij verschillende werkgevers. Op zijn 24ste begint hij aan zijn job bij de Oostenrijkse spoorwegmaatschappij waar hij op zijn 27ste vast benoemd wordt.

Om zijn loon te bepalen wordt als startdatum voor de in acht name van anciënniteit op 1971 bepaald. De werkjaren voor de leeftijd van 18 jaar worden niet in aanmerking genomen en de werkjaren tussen zijn 18de  en 24ste worden maar voor de helft in aanmerking genomen. Deze berekening heeft nefaste gevolgen voor de berekening van zijn pensioen.

De Oostenrijkse wetgeving voorziet echter : „Vorderingen inzake uitstaande jaarlijkse betalingen, in het bijzonder rente, [...] vervallen na 3 jaar. Het recht zelf verjaart door de niet-uitoefening ervan gedurende 30 jaar.” Doch ondertussen werd Richtlijn 2000/78 ingevoerd en gaf ze aanleiding tot rechtspraak inzake het niet in aanmerking nemen van werkjaren voor een bepaalde leeftijd.

Beslissing

Het Unierecht, en inzonderheid het effectiviteitsbeginsel, staat niet in de weg aan een nationale regeling als die aan de orde in het hoofdgeding die het recht van een werknemer om te verzoeken om een herziening van de diensttijd die in aanmerking moet worden genomen bij de bepaling van de peildatum voor overgang naar de volgende salaristrap, onderwerpt aan een dertigjarige verjaringstermijn die ingaat vanaf de sluiting van de overeenkomst op basis waarvan deze peildatum is vastgelegd of vanaf de indeling op een onjuiste salaristrap.

Unia was geen betrokken partij.

Afgekort: EU-HvJ, Siegfried Pohl tegen ÖBB Infrastruktur AG, 16/1/2014 – Rolnummer C-429/12

Wetgeving:

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?