Ga verder naar de inhoud

Hof van Justitie van de Europese Unie, 17 oktober 2024

Een nationale regeling volgens welke federale rechters hun pensionering niet kunnen uitstellen, terwijl federale ambtenaren en rechters van de deelstaten dit wel kunnen, leidt niet tot een rechtstreeks op leeftijd gebaseerd verschil in behandeling in de zin van Richtlijn 2000/78.

Gepubliceerd op: 17/10/2024
Domeinen: Arbeid
Beschermde kenmerken: Leeftijdsdiscriminatie (agisme)
Rechtsinbreuk(en): Discriminatie (burgerrechtelijk), Directe discriminatie
Rechtsmacht: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rechtsgebied: Europese Unie
Unia (burgerlijke) partij: neen

HB tegen Bundesrepublik Deutschland (Zetschek) (C-349/23)

Feiten

HB, geboren op 20 september 1960, is rechter in het Bundesgerichtshof en is als federale rechter onderworpen aan een verplichte pensioenleeftijd, die is vastgesteld op 67 jaar. Het DRiG biedt HB geen enkele mogelijkheid om uitstel van de pensionering te krijgen en bepaalt dat voor personen die in 1960 zijn geboren, de wettelijke pensioenleeftijd 66 jaar en 4 maanden bedraagt. 

Op 30 september 2021 heeft HB de president van het Bundesgerichtshof verzocht om hem de datum waarop hij met pensioen moet gaan mee te delen bij een voor beroep vatbaar besluit. Bij brief van 7 oktober 2021 heeft de president hem laten weten dat zijn pensioen ingaat na afloop van 31 januari 2027, dat wil zeggen na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd van 66 jaar en 4 maanden. Aangezien HB zijn ambt van rechter in het Bundesgerichtshof na de wettelijke pensioenleeftijd wil blijven uitoefenen, heeft hij tegen deze brief bezwaar gemaakt bij het BMJ.

Nadat dit bezwaar was afgewezen, heeft HB beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Karlsruhe (bestuursrechter in eerste aanleg Karlsruhe, Duitsland), de verwijzende rechter. Tot staving van zijn beroep stelt HB dat hij rechtstreeks wordt gediscrimineerd op grond van leeftijd, aangezien ten eerste federale ambtenaren, wier wettelijke pensioenleeftijd dezelfde is als de zijne, hun pensionering overeenkomstig § 53 BBG met maximaal 3 jaar kunnen uitstellen, en ten tweede rechters van de deelstaat Baden-Württemberg (Duitsland), wier pensioenleeftijd in beginsel eveneens 67 jaar is, op grond van § 6, lid 2, eerste volzin, van het Landesrichter- und Staatsanwaltsgesetz des Landes Baden-Württemberg om uitstel van hun pensionering kunnen verzoeken voor een periode van maximaal één jaar, zonder echter het einde van de maand waarin zij de leeftijd van 68 jaar bereiken, te overschrijden.

Beslissing

Met zijn [eerste] vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 2, onder a), van Richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale regeling volgens welke federale rechters hun pensionering niet kunnen uitstellen, terwijl federale ambtenaren en rechters van de deelstaten dit wel kunnen, tot een rechtstreeks op leeftijd gebaseerd verschil in behandeling in de zin van deze bepaling leidt. 

In casu doet het in de eerste vraag bedoelde verschil in behandeling zich niet voor tussen federale rechters die na de in § 48, lid 1, DRiG vastgestelde leeftijd niet langer mogen doorwerken, en federale rechters die deze leeftijd nog niet hebben bereikt en wel mogen blijven werken, maar betreft het een verschil in behandeling tussen enerzijds federale rechters en anderzijds federale ambtenaren en rechters van de deelstaten, met name die van de deelstaat Baden-Württemberg.

Zoals blijkt uit het nationale rechtskader, zijn de bepalingen die de uitoefening van de functies van deze verschillende rechters en ambtenaren beheersen, neergelegd in duidelijk los van elkaar staande wetgevingshandelingen. Binnen deze persoonscategorieën oefenen degenen die daartoe behoren niet dezelfde functies uit, en de omstandigheden waarin deze functies worden uitgeoefend zijn specifiek voor elke categorie.

Bijgevolg is het verschil in behandeling tussen federale rechters enerzijds en federale ambtenaren en rechters van de deelstaten anderzijds, met name die van de deelstaat Baden-Württemberg, gebaseerd op de functie die deze verschillende persoonscategorieën respectievelijk bekleden.

Hieruit volgt dat een verschil in behandeling als bedoeld in de eerste vraag is gebaseerd op de beroepscategorie waartoe de betrokkenen op federaal en regionaal niveau behoren en niet op leeftijd.

Gelet op een en ander moet op de [eerste] vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 2, onder a), van Richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale regeling volgens welke federale rechters hun pensionering niet kunnen uitstellen, terwijl federale ambtenaren en rechters van de deelstaten dit wel kunnen, niet tot een rechtstreeks op leeftijd gebaseerd verschil in behandeling in de zin van deze bepaling leidt.

Unia was geen betrokken partij.

Afgekort: EU-HvJ, HB tegen Bundesrepublik Deutschland (Zetschek), 17/10/2024 – Rolnummer C-349/23

Wetgeving:

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?