Ga verder naar de inhoud

Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 november 2019

Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2000/78 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat geschillen betreffende de toepassing van het Unierecht onder de uitsluitende bevoegdheid kunnen vallen van een instantie die geen onafhankelijk en onpartijdig gerecht vormt. 

Gepubliceerd op: 19/11/2019
Domeinen: Arbeid, Politie en justitie
Beschermde kenmerken: Leeftijdsdiscriminatie (agisme)
Rechtsinbreuk(en): Discriminatie (burgerrechtelijk), Directe discriminatie
Rechtsmacht: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rechtsgebied: Europese Unie
Unia (burgerlijke) partij: neen

A.K. tegen Krajowa Rada Sądownictwa en CP en DO tegen Sąd Najwyższy (C-585/18, C-624/18 en C-625/18)

Feiten

In zaak C‑585/18 heeft A. K., rechter in de Naczelny Sąd Administracyjny die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt voordat de USN 2017 in werking trad, een verklaring ingediend krachtens artikel 37, lid 1, en artikel 11, lid 1, van deze wet waarin hij aangeeft zijn ambt te willen blijven uitoefenen. Op 27 juli 2018 heeft de KRS krachtens artikel 37, lid 1a, van deze wet een negatief advies over dit verzoek gegeven. Op 10 augustus 2018 heeft A. K. bij de Sąd Najwyższy beroep ingesteld tegen dit advies. Ter ondersteuning van dit beroep heeft A. K. met name gesteld dat zijn vervroegde pensionering op de leeftijd van 65 jaar heeft geleid tot schending van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 47 van het Handvest alsmede Richtlijn 2000/78 en dan in het bijzonder artikel 9, lid 1, ervan.

De zaken C‑624/18 en C‑625/18 hebben betrekking op twee rechters in de Sąd Najwyższy, CP en DO, die eveneens de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt voordat de USN 2017 in werking trad en geen verklaring hebben ingediend krachtens artikel 37, lid 1, en artikel 11, lid 1, van deze wet. Na ervan in kennis te zijn gesteld dat de Poolse president overeenkomstig artikel 39 van de genoemde wet hun pensionering per 4 juli 2018 had vastgesteld, hebben de belanghebbenden bij de Sąd Najwyższy beroep ingesteld tegen deze pensionering en gevorderd te verklaren dat hun arbeidsverhouding als rechter in actieve dienst bij deze rechterlijke instantie met ingang van die datum niet is gewijzigd in een arbeidsverhouding als gepensioneerde rechter van deze rechterlijke instantie. Tot staving van hun vorderingen stellen zij in het bijzonder schending van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2000/78 aan de orde waarin discriminatie op grond van leeftijd wordt verboden.

Beslissing

Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2000/78 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat geschillen betreffende de toepassing van het Unierecht onder de uitsluitende bevoegdheid kunnen vallen van een instantie die geen onafhankelijk en onpartijdig gerecht vormt in de zin van de eerste bepaling. 

Hiervan is sprake wanneer de objectieve voorwaarden waaronder de betrokken instantie is ingesteld, de kenmerkende eigenschappen ervan en de manier waarop de leden ervan zijn benoemd, van dien aard zijn dat bij de justitiabelen legitieme twijfel kan ontstaan over de vraag of deze instantie niet gevoelig is voor externe factoren, in het bijzonder voor directe of indirecte invloed van de wetgevende en uitvoerende macht, en of deze instantie onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen, en, derhalve, ertoe kunnen leiden dat deze instelling niet de indruk geeft onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen kan ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving bij deze justitiabelen moet wekken. Het staat aan de verwijzende rechter om, rekening houdend met alle relevante gegevens waarover hij beschikt, vast te stellen of dit het geval is bij een instantie als de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy.

In dat geval moet het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat het de verwijzende rechter ertoe verplicht om de nationaalrechtelijke bepaling buiten toepassing te laten op grond waarvan de bevoegdheid om kennis te nemen van de hoofdgedingen is voorbehouden aan deze instantie, zodat deze kunnen worden behandeld door een rechterlijke instantie die voldoet aan de bovengenoemde vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid en die op het betrokken gebied bevoegd zou zijn indien deze bepaling daar niet aan in de weg stond.

Unia was geen betrokken partij.

Afgekort: EU-HvJ, A.K. tegen Krajowa Rada Sądownictwa en CP en DO tegen Sąd Najwyższy, 19/11/2019 – Rolnummer C-585/18, C-624/18 en C-625/18

Wetgeving:

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?