Hof van Justitie van de Europese Unie, 2 juni 2016
Een nationale regeling betreffende een aanvullende belasting op inkomsten uit ouderdomspensioen, valt niet binnen de materiële werkingssfeer van Richtlijn 2000/78.
C (C-122/15)
Feiten
C heeft de Finse nationaliteit. Hij is in 1948 geboren en is woonachtig in Finland. De belastingdienst heeft voor hem het tarief voor het aan de bron ingehouden voorschot op de inkomstenbelasting voor het belastingjaar 2013 vastgesteld. In dit verband heeft deze dienst overeenkomstig artikel 124, eerste en vierde alinea, van wet 1992/1535 betreffende de inkomstenbelasting 6 % aanvullende belasting geheven over zijn inkomsten uit ouderdomspensioen, voor zover deze inkomsten, verminderd met de pensioenvrijstelling, meer bedroegen dan 45.000 euro.
Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat C in het belastingjaar 2013 in Finland pensioeninkomsten ten bedrage van in totaal 461.900,88 euro heeft ontvangen, en dat hierover inkomstenbelasting is geheven ten bedrage van in totaal 251.351,10 euro. Naast de pensioeninkomsten ontving C loon voor in Finland verrichte werkzaamheden.
Bij besluit van 11 maart 2013 heeft de belastingdienst het bezwaar van C ten aanzien van het tarief van het aan de bron ingehouden voorschot op de inkomstenbelasting voor het belastingjaar 2013 afgewezen.
Beslissing
Artikel 3, lid 1, onder c), van Richtlijn 2000/78 moet in die zin worden uitgelegd dat een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, betreffende een aanvullende belasting op inkomsten uit ouderdomspensioen, niet binnen de materiële werkingssfeer van deze Richtlijn en bijgevolg ook niet van artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie valt.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: EU-HvJ, C, 2/6/2016 – Rolnummer C-122/15
Wetgeving:
- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (7 december 2000)
- EU-Kaderrichtlijn 2000/78/EG (27 november 2000)