Ga verder naar de inhoud

Hof van Justitie van de Europese Unie, 24 september 2020

De werkingssfeer van Richtlijn 2000/78 en Richtlijn 2006/54 strekt zich mede uit tot bepalingen van het recht van een lidstaat op grond waarvan – ten eerste – de werkgever een gedeelte dient in te houden op het bedrag van het bedrijfspensioen dat hij bij overeenkomst heeft toegezegd rechtstreeks te zullen uitkeren aan zijn voormalige werknemer, en – ten tweede – de contractueel bedongen indexering van het bedrag van die prestatie niet langer effect sorteert.

Gepubliceerd op: 24/09/2020
Domeinen: Sociale bescherming, Arbeid
Beschermde kenmerken: Leeftijdsdiscriminatie (agisme)
Rechtsinbreuk(en): Discriminatie (burgerrechtelijk), Directe discriminatie
Rechtsmacht: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rechtsgebied: Europese Unie
Unia (burgerlijke) partij: neen

YS tegen NK (C-223/19)

Feiten

Verzoeker in het hoofdgeding is een voormalige werknemer van NK, een beursgenoteerde naamloze vennootschap, waarin de deelstaat Neder-Oostenrijk een belang van ongeveer 51 % heeft.

Op 2 maart 1992 heeft verzoeker in het hoofdgeding een bedrijfspensioenovereenkomst gesloten met NK. Deze overeenkomst voorzag in een „directe prestatietoezegging” ten laste van NK, dat wil zeggen een bedrijfspensioen dat wordt gefinancierd uit voorzieningen die worden aangelegd door die werkgever, die zich ertoe heeft verbonden om dat pensioen rechtstreeks aan de betrokken werknemer uit te keren na beëindiging van het dienstverband. Voorts is een welvaartsvastheidsclausule overeengekomen op grond waarvan alle pensioenrechten gedurende de periode dat het bedrijfspensioen wordt ontvangen, zouden worden verhoogd met het percentage waarmee de salarissen in de hoogste functiegroep zouden stijgen volgens de collectieve overeenkomst voor de werknemers van de Oostenrijkse ondernemingen van de betreffende branche.

Verzoeker in het hoofdgeding is op 1 april 2010 met pensioen gegaan. Sindsdien ontvangt hij op grond daarvan verschillende pensioenuitkeringen. NK keert hem sinds 17 december 2010 onder meer de in de bedrijfspensioenovereenkomst van 2 maart 1992 bedoelde „directe prestatietoezegging” uit.

Sinds 1 januari 2015 int NK overeenkomstig § 24a NÖ Landes- und GemeindebezügeG een bijdrage tot zekerstelling van het pensioen.

Op grond van § 711 ASVG heeft NK het bedrag van het bedrijfspensioen van verzoeker in het hoofdgeding voor het jaar 2018 niet verhoogd, terwijl het gedeelte van dit rechtstreeks uitgekeerde pensioen had moeten worden verhoogd met 3 % overeenkomstig de salarisindexering waarin de collectieve overeenkomst voor de werknemers van de Oostenrijkse ondernemingen in de betreffende branche voorzag voor dat jaar.

Beslissing

Richtlijn 2000/78 en Richtlijn 2006/54 moeten aldus worden uitgelegd dat hun werkingssfeer zich mede uitstrekt tot bepalingen van het recht van een lidstaat op grond waarvan – ten eerste – de werkgever een gedeelte dient in te houden op het bedrag van het bedrijfspensioen dat hij bij overeenkomst heeft toegezegd rechtstreeks te zullen uitkeren aan zijn voormalige werknemer, en – ten tweede – de contractueel bedongen indexering van het bedrag van die prestatie niet langer effect sorteert.

Artikel 5, onder c), en artikel 7, onder a), iii), van Richtlijn 2006/54 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de rechthebbenden op een pensioen dat een onder zeggenschap van de overheid staande onderneming bij overeenkomst heeft toegezegd hun rechtstreeks te zullen uitkeren en dat bepaalde in deze regeling vastgelegde drempels overschrijdt, verstoken blijven van een bedrag dat wordt ingehouden op het gedeelte van het betreffende pensioen dat uitgaat boven een van die drempels, alsmede van het recht op een contractueel bedongen indexering van dat pensioen, ook al is het percentage voormalige werknemers bij wie het bedrag van hun bedrijfspensioen is geraakt door die regeling aanzienlijk hoger onder de voormalige mannelijke werknemers dan onder de voormalige vrouwelijke werknemers die binnen de werkingssfeer van die regeling vallen, mits deze gevolgen worden gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

Artikel 2, lid 1, en lid 2, onder b), van Richtlijn 2000/78 moet aldus worden uitgelegd dat het feit dat een regeling van een lidstaat op grond waarvan de rechthebbenden op een pensioen dat een onder zeggenschap van de overheid staande onderneming bij overeenkomst heeft toegezegd hun rechtstreeks te zullen uitkeren en dat bepaalde in deze regeling vastgelegde drempels overschrijdt, verstoken blijven van een bedrag dat wordt ingehouden op het gedeelte van het betreffende pensioen dat uitgaat boven een van die drempels, alsmede van het recht op een contractueel bedongen indexering van dat pensioen, uitsluitend rechthebbenden treft die een bepaalde leeftijd hebben bereikt, op zichzelf beschouwd niet met zich meebrengt dat bovengenoemde bepaling zich tegen die regeling verzet.

De artikelen 16, 17, 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de rechthebbenden op een pensioen dat een onder zeggenschap van de overheid staande onderneming bij overeenkomst heeft toegezegd hun rechtstreeks te zullen uitkeren en dat bepaalde in deze regeling vastgelegde drempels overschrijdt, verstoken blijven van een bedrag dat wordt ingehouden op een gedeelte van het betreffende pensioen dat uitgaat boven een van die drempels, alsmede van het recht op een contractueel bedongen indexering van dat pensioen.

Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat in zijn rechtsorde niet voorziet in een zelfstandig rechtsmiddel dat primair ertoe strekt dat wordt onderzocht of nationale bepalingen die het Unierecht ten uitvoer brengen, in overeenstemming zijn met dat recht, voor zover een dergelijk onderzoek incidenteel kan worden verricht.

Unia was geen betrokken partij.

Afgekort: EU-HvJ, YS tegen NK, 24/9/2020 – Rolnummer C-223/19

Wetgeving:

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?