Ga verder naar de inhoud

Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 april 2013

Een aandeelhouder van een voetbalclub verklaart publiekelijk dat de club geen homoseksele voetbalspelers zal aanwerven. Een LGBTQ+vereniging meent dat deze verklaring in strijd is met Richtlijn 2000/78/EG omdat ze het beginsel van gelijke behandeling inzake aanwerving schendt.

Gepubliceerd op: 25/04/2013
Domeinen: Sport, Arbeid
Beschermde kenmerken: Discriminatie op basis van seksuele oriëntatie
Rechtsinbreuk(en): Discriminatie (burgerrechtelijk), Directe discriminatie, Intimidatie
Rechtsmacht: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rechtsgebied: Europese Unie
Unia (burgerlijke) partij: neen

Asociaţia Accept tegen Consiliul Naţional pentru Combaterea Discriminării (C-81/12)

Feiten

De aandeelhouder van een voetbalclub in Roemenië is gekend als de ‘sterke man’ van de club. Hij verkoopt zijn aandelen maar in de ogen van het publiek is zijn rol niet veranderd. Hij doetin het openbaar zware homofobe uitspraken: hij zou liever een einde stellen aan de club dan een homoseksuele speler aan te werven, de club is een familie waar homoseksuelen hun plaats niet hebben, enz. 

Gelet op de in voege zijnde wetgeving, en meer bepaald de bijzonder korte verjaringstermijn, krijgt hij enkel een beperkte boete opgelegd vanwege de instelling die strijd tegen discriminatie.

Beslissing

Met zijn eerste 2 vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 2, lid 2, en 10, lid 1, van richtlijn 2000/78 aldus moeten worden uitgelegd dat wat een professionele voetbalclub betreft feiten zoals in het hoofdgeding kunnen worden gekwalificeerd als „feiten die discriminatie kunnen doen vermoeden”, indien de betrokken verklaringen afkomstig zijn van een persoon die zich in de media en de samenleving voordoet als de hoofdmanager van die club en daar ook als dusdanig wordt beschouwd, ook al beschikt hij niet noodzakelijkerwijs over de rechtsbevoegdheid om die club te binden of hem inzake aanwerving te vertegenwoordigen.

De artikelen 2, lid 2, en 10, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG moeten aldus worden uitgelegd dat wat een professionele voetbalclub betreft feiten zoals in het hoofdgeding kunnen worden gekwalificeerd als „feiten die discriminatie kunnen doen vermoeden”, indien de betrokken verklaringen afkomstig zijn van een persoon die zich in de media en de samenleving voordoet als de topmanager van die club en daar ook als dusdanig wordt beschouwd, ook al beschikt hij niet noodzakelijkerwijs over de rechtsbevoegdheid om die club te binden of hem inzake aanwerving te vertegenwoordigen.

Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, bij kwalificatie van feiten zoals in het hoofdgeding als „feiten die discriminatie” op grond van seksuele gerichtheid „kunnen doen vermoeden” bij de aanwerving van spelers door een professionele voetbalclub, de in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2000/78 bedoelde bewijsvoeringsregeling er niet toe leidt dat bewijs wordt verlangd dat niet kan worden geleverd zonder het recht op eerbiediging van het privéleven te schenden.

Artikel 10, lid 1, van richtlijn 2000/78 moet aldus worden uitgelegd dat bij kwalificatie van feiten zoals in het hoofdgeding als „feiten die discriminatie” op grond van seksuele gerichtheid „kunnen doen vermoeden” bij de aanwerving van spelers door een professionele voetbalclub, de in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2000/78 bedoelde bewijsvoeringsregeling er niet toe leidt dat bewijs wordt verlangd dat niet kan worden geleverd zonder het recht op eerbiediging van het privéleven te schenden.

Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 17 van richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan bij vaststelling van discriminatie op grond van seksuele gerichtheid na het verstrijken van een verjaringstermijn van 6 maanden te rekenen vanaf de datum waarop de feiten zich hebben voorgedaan, slechts een vermaning zoals die in het hoofdgeding kan worden uitgesproken.

Artikel 17 van richtlijn 2000/78 moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan bij vaststelling van discriminatie op grond van seksuele gerichtheid in de zin van deze richtlijn, na het verstrijken van een verjaringstermijn van 6 maanden te rekenen vanaf de datum waarop de feiten zich hebben voorgedaan, slechts een vermaning zoals die in het hoofdgeding kan worden uitgesproken wanneer een dergelijke discriminatie bij toepassing van deze regeling niet onder dusdanige materiële en formele voorwaarden wordt bestraft dat de sanctie doeltreffend, evenredig en afschrikkend is. Het staat aan de verwijzende rechter om te beoordelen of dit het geval is voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regelgeving en, in voorkomend geval, om het nationale recht zoveel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van voormelde richtlijn teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken.

Unia was geen betrokken partij.

Afgekort: EU-HvJ, Asociaţia Accept tegen Consiliul Naţional pentru Combaterea Discriminării, 25/4/2013 – Rolnummer C-81/12

Wetgeving:

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?