Ga verder naar de inhoud

Hof van Justitie van de Europese Unie, 27 november 2025

Een Oostenrijks ambtenaar vraagt om zijn in het buitenland opgebouwde anciënniteit mee in rekening te brengen, hetgeen wordt geweigerd. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt dat dit het vrije verkeer van werknemers kan belemmeren. 

Gepubliceerd op: 27/11/2025
Domeinen: Arbeid
Beschermde kenmerken: Leeftijdsdiscriminatie (agisme)
Rechtsinbreuk(en): Discriminatie (burgerrechtelijk), Directe discriminatie, Indirecte discriminatie
Rechtsmacht: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rechtsgebied: Europese Unie
Unia (burgerlijke) partij: neen

AB tegen Kärtner Landesregierung (C-356/24)

Feiten

Een man werd in 2010 in Oostenrijk aangesteld als ambtenaar. Hij vroeg om zijn voorheen in Oostenrijk en in het buitenland opgebouwde anciënniteit mee te laten tellen voor de toepassing van de correcte salaristrap. De Oostenrijkse regering wees dit evenwel af.

Beslissing

Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt als volgt: 

Artikel 45, lid 2, VWEU en artikel 7, lid 1, van verordening 492/2011 verzetten zich niet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan perioden van gelijkwaardige werkzaamheden die een persoon in een andere staat van de Europese Economische Ruimte heeft vervuld vóór zijn indiensttreding als ambtenaar in de eerste lidstaat en die niet eerder in aanmerking zijn genomen voor zijn inschaling, met terugwerkende kracht in aanmerking worden genomen wanneer de bezoldigingsrechtelijke positie van de ambtenaar het gevolg is van de overgang naar een hogere salaristrap op basis van anciënniteit en niet van zijn bevordering op grond van een besluit dat onder de discretionaire bevoegdheid van de overheidsdienst valt, terwijl eerdere perioden van gelijkwaardige werkzaamheden in de particuliere sector en op het nationale grondgebied, niet in aanmerking worden genomen.

Artikel 45, lid 1, VWEU verzet zich tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan perioden van gelijkwaardige werkzaamheden die een persoon in een andere staat van de Europese Economische Ruimte heeft vervuld vóór zijn indiensttreding als ambtenaar in de eerste lidstaat en die niet eerder in aanmerking zijn genomen voor zijn inschaling, met terugwerkende kracht in aanmerking moeten worden genomen wanneer de bezoldigingsrechtelijke positie van de ambtenaar het gevolg is van de overgang naar een hogere salaristrap op basis van anciënniteit en niet van zijn bevordering op grond van een besluit dat onder de discretionaire bevoegdheid van de overheidsdienst valt.

De artikelen 1, 2 en 6 van richtlijn 2000/78, gelezen in samenhang met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, verzetten zich niet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan, ten eerste, de perioden van gelijkwaardige werkzaamheden die een persoon in een andere lidstaat heeft vervuld vóór zijn indiensttreding als ambtenaar in die eerste lidstaat niet in aanmerking kunnen worden genomen voor zijn overgang naar een hogere salaristrap wanneer die ambtenaar is bevorderd op grond van een besluit dat onder de discretionaire bevoegdheid van de overheidsdienst valt, en ten tweede, een dergelijke bevordering in beginsel pas kan plaatsvinden na een aantal dienstjaren, die worden berekend vanaf de peildatum voor de overgang naar een hogere salaristrap, voor zover het aantal dienstjaren dat iemand moet vervullen om te worden bevorderd, niet zo aanzienlijk is dat alleen oudere ambtenaren daarvoor in aanmerking komen en die bevordering daarnaast afhangt van andere criteria die geen enkel verband houden met leeftijd.

Unia was geen betrokken partij.

Afgekort: EU-HvJ, A.B. tegen Kärtner Landesregierung, 27/11/2025 - Rolnummer C-356/24

Wetgeving:

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?