Ga verder naar de inhoud

Hof van Justitie van de Europese Unie, 7 februari 2019

Richtlijn 2000/78 verzet zich niet tegen een nationale regeling waarbij, in het kader van algemene salarisverlagingsmaatregelen in verband met de verplichting tot wegwerking van een buitensporig begrotingstekort, voor de basissalarissen en aanvullende salarissen van de leden van de zittende magistratuur verschillende salarisverlagingspercentages zijn vastgesteld, hetgeen volgens de verwijzende rechter voor degenen die behoren tot 2 salarisgroepen van de lagere categorieën van die magistratuur procentueel grotere salarisverlagingen blijkt in te houden dan voor degenen die behoren tot een salarisgroep van een hogere categorie van die magistratuur, terwijl de eerstgenoemde categorieën een lager salaris ontvangen, over het algemeen jonger zijn, en doorgaans minder anciënniteit hebben dan de laatstgenoemde categorie.

Gepubliceerd op: 07/02/2019
Domeinen: Arbeid, Politie en justitie
Beschermde kenmerken: Leeftijdsdiscriminatie (agisme)
Rechtsinbreuk(en): Discriminatie (burgerrechtelijk), Directe discriminatie
Rechtsmacht: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rechtsgebied: Europese Unie
Unia (burgerlijke) partij: neen

Carlos Escribano Vindel tegen Ministerio de Justicia (C-49/18)

Feiten

De verwijzende rechter vraagt zich af of de betrokken nationale regeling, die in de lijn ligt van de door de Europese Unie opgelegde vermindering van het overheidstekort, geen door het Handvest en Richtlijn 2000/78 verboden discriminatie op grond van leeftijd vormt. 

In dit verband merkt hij op dat het door die regeling gehanteerde percentage van de salarisverlaging hoger is voor zittende magistraten van de tweede graad, die vallen onder salarisgroep 5, en voor alleensprekende zittende magistraten van de eerste graad, die vallen onder salarisgroep 4, dan voor de andere categorieën magistraten. Volgens hem dragen de jongste magistraten, met de minste anciënniteit, aldus in grotere mate bij tot de vermindering van de overheidstekorten, zonder dat deze aan hen opgelegde specifieke last door een relevante objectieve reden wordt gerechtvaardigd.

Beslissing

Artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en artikel 2, lid 1 en lid 2, onder b), van Richtlijn 2000/78 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich, onder voorbehoud van door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, niet verzetten tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, waarbij, in het kader van algemene salarisverlagingsmaatregelen in verband met de verplichting tot wegwerking van een buitensporig begrotingstekort, voor de basissalarissen en aanvullende salarissen van de leden van de zittende magistratuur verschillende salarisverlagingspercentages zijn vastgesteld, hetgeen volgens de verwijzende rechter voor degenen die behoren tot 2 salarisgroepen van de lagere categorieën van die magistratuur procentueel grotere salarisverlagingen blijkt in te houden dan voor degenen die behoren tot een salarisgroep van een hogere categorie van die magistratuur, terwijl de eerstgenoemde categorieën een lager salaris ontvangen, over het algemeen jonger zijn, en doorgaans minder anciënniteit hebben dan de laatstgenoemde categorie.

Unia was geen betrokken partij.

Afgekort: EU-HvJ, Carlos Escribano Vindel tegen Ministerio de Justicia, 7/2/2019 – Rolnummer C-49/18

Wetgeving:

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?