Hof van Justitie van de Europese Unie, 9 september 2015
Richtlijn 2000/78 verzet zich tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan bij de indiensttreding van een rechter diens basissalaristrap uitsluitend op basis van zijn leeftijd wordt bepaald.
Daniel Unland tegen Land Berlin (C-20/13)
Feiten
Volgens de oude wetgeving wordt het basissalaris van rechters berekend in functie van leeftijdsklassen. In de nieuwe wet wordt het basissalaris berekend volgens salaristrappen en de stijging naar een hogere salaristrap gebeurt in functie van de opgedane ervaring.
In de overgangsregeling wordt voorzien dat de salaristrap bepaald wordt door het basissalaris uit het oude systeem en dat enkel de ervaring opgedaan binnen het nieuwe systeem bepalend is om in een hogere salaristrap terecht te komen.
De uitgewerkte regeling is bijzonder ingewikkeld (de hogere salaristrappen gaan sneller in wanneer de rechters vrij jong zijn en minder snel naarmate de rechters ouder worden). Deze regeling probeert de kool en de geit te sparen.
Beslissing
Artikel 3, lid 1, onder c), van Richtlijn 2000/78 moet in die zin worden uitgelegd dat dat de bezoldiging van de rechters binnen de werkingssfeer van deze Richtlijn valt.
De artikelen 2 en 6, lid 1, van Richtlijn 2000/78 moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling, als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan bij de indiensttreding van een rechter diens basissalaristrap uitsluitend op basis van zijn leeftijd wordt bepaald.
De artikelen 2 en 6, lid 1, van Richtlijn 2000/78 moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling, als aan de orde in het hoofdgeding, houdende vaststelling van de wijze waarop de reeds vóór de inwerkingtreding van die wettelijke regeling in vaste dienst aangestelde rechters in een nieuw bezoldigingsstelsel worden ingedeeld, volgens welke de salaristrap waarin dezen voortaan zullen worden ingedeeld, uitsluitend wordt bepaald door het bedrag van het basissalaris dat zij volgens het oude bezoldigingsstelsel ontvingen, ofschoon dit laatste een discriminatie op grond van leeftijd inhield, voor zover het verschil in behandeling dat deze wettelijke regeling inhoudt, kan worden gerechtvaardigd door het doel de verworven rechten te beschermen.
De artikelen 2 en 6, lid 1, van Richtlijn 2000/78 moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling, als aan de orde in het hoofdgeding, houdende vaststelling van de wijze waarop de reeds vóór de inwerkingtreding van die wettelijke regeling in vaste dienst aangestelde rechters in een nieuw bezoldigingsstelsel worden ingedeeld, volgens welke de rechters die op de peildatum voor de overgang naar het nieuwe stelsel een bepaalde leeftijd hadden bereikt, vanaf een bepaalde salaristrap sneller salarisverhoging krijgen dan de rechters die op de peildatum voor de overgang naar het nieuwe stelsel die leeftijd nog niet hadden bereikt, voor zover het verschil in behandeling dat deze wettelijke regeling inhoudt, kan worden gerechtvaardigd in de zin van artikel 6, lid 1, van deze Richtlijn.
In omstandigheden als die in het hoofdgeding vereist het Unierecht niet dat aan de gediscrimineerde rechters retroactief een bedrag wordt toegekend ten belope van het verschil tussen de daadwerkelijk ontvangen bezoldiging en de bezoldiging overeenkomend met de hoogste trap in hun salarisgroep.
Het staat aan de verwijzende rechterlijke instantie om na te gaan of alle in de rechtspraak van het Hof gestelde voorwaarden zijn vervuld om de Bondsrepubliek Duitsland op grond van het Unierecht aansprakelijk te stellen
Het Unierecht verzet zich niet tegen een nationale regel als aan de orde het hoofdgeding, op grond waarvan de nationale rechter een recht op geldelijke prestaties die niet rechtstreeks uit de wet voortvloeien, op vrij korte termijn, namelijk vóór het einde van het lopende begrotingsjaar, geldend moet maken, indien deze regel het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel niet schendt. Het staat aan de verwijzende rechterlijke instantie, na te gaan of die voorwaarden in het hoofdgeding zijn vervuld.
Unia was geen betrokken partij.
Afgekort: EU-HvJ, Daniel Unland tegen Land Berlin, 9/9/2015 – Rolnummer C-20/13
Wetgeving:
- EU-Kaderrichtlijn 2000/78/EG (27 november 2000)