Ga verder naar de inhoud

Rechtbank van eerste aanleg Luxemburg, afdeling Aarlen, 10 november 2025

Een vrouw die analfabeet is, vraagt de Belgische nationaliteit aan. Het openbaar ministerie geeft een negatief advies. Volgens het openbaar ministerie toont de vrouw onvoldoende aan dat ze analfabeet is. Daardoor komt ze niet in aanmerking voor een versoepeling inzake de wettelijke taalvereiste die voorzien is voor personen die analfabeet zijn.

Gepubliceerd op: 10/11/2025
Domeinen: Politie en justitie
Beschermde kenmerken: Taal
Rechtsinbreuk(en): Andere
Rechtsmacht: Rechtbank van eerste aanleg
Rechtsgebied: Luxemburg
Unia (burgerlijke) partij: neen

Feiten

In het wetboek van de Belgische nationaliteit staat dat vreemdelingen de Belgische nationaliteit kunnen verkrijgen op voorwaarde dat ze onder andere het bewijs leveren van de kennis van één van de 3 landstalen (art. 12bis, § 1, 2° Wetboek van de Belgische nationaliteit). Een Koninklijk Besluit van 14 januari 2013 bepaalt hoe het bewijs kan worden geleverd van de kennis van één van de 3 landstalen. 

Voor een persoon die analfabeet is, is enkel het bewijs van een mondelinge kennis die gelijk is aan het niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, vereist. De vrouw toont met een attest van de vzw Lire et Écrire dat ze over de vereiste mondelinge kennis beschikt.

Het openbaar ministerie geeft evenwel een negatief advies. Volgens het openbaar ministerie toont de vrouw onvoldoende aan dat ze analfabeet is. Het openbaar ministerie verwijst onder meer naar het feit dat de vrouw op haar verklaring tot verkrijging van de Belgische nationaliteit zelf een verplichte vermelding heeft geschreven. Ze komt volgens het openbaar ministerie niet in aanmerking voor een versoepeling inzake de wettelijke taalvereiste die voorzien is voor personen die analfabeet zijn (art. 1, § 2, 5° Wetboek van de Belgische nationaliteit). 

Beslissing

Het advies van het openbaar ministerie is niet gegrond volgens de rechtbank van eerste aanleg.

De wet voorziet dat op de verklaring tot verkrijging van de Belgische nationaliteit een verplichte vermelding moet worden aangebracht "door de vreemdeling met de hand geschreven of, wanneer de persoon niet in staat is deze met de hand te schrijven, mondeling uitgesproken en opgetekend door de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand" (art. 12bis, § 3 Wetboek van de Belgische nationaliteit). De rechtbank van eerste aanleg kon uit de stukken in het dossier niet opmaken dat de vrouw de gelegenheid had gekregen om de verklaring te laten optekenen door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Ze had de verklaring daarom zelf - onhandig - gekopieerd, maar dit bewees niet dat ze geen analfabeet zou zijn.

De rechtbank van eerste aanleg wees er vervolgens op dat de Franse Gemeenschap nog geen bevoegde instantie heeft aangeduid die kan attesteren dat een persoon analfabeet is (art. 1, § 2, 10° Wetboek van de Belgische nationaliteit). Daarom moet het attest van de vzw Lire et Écrire worden aanvaard als bewijs van het analfabetisme en de vereiste mondelinge kennis.

Unia was geen betrokken partij.

Afgekort: Rb. Luxemburg, afdeling Aarlen, 10/11/2025 - Rolnummer 25/93/B

Wetgeving:

Op de hoogte blijven van juridisch nieuws?